God met vraagteken

`Een beetje gelovig zijn' is voor menigeen net zo onzinnig als `een beetje zwanger'. Je bent het, of je bent het niet. Zo denken critici van de godsdienst erover, zoals Paul Cliteur of Rudy Kousbroek, maar niet minder de voormannen van de Evangelische Omroep. In zijn inleiding bij de bundel Een beetje geloven verzet W. Drees zich terecht tegen zo'n alles of niets dilemma: dit toont weinig begrip voor structuur en herkomst van geloofsvoorstellingen. Met `een beetje' heeft hij intussen niet de inhoud van het pakket op het oog, alsof vrijzinnigen `minder dingen' geloven dan niet-vrijzinnigen. Dat was vroeger wel de omschrijving: de godheid van Christus ontkennen, het gezag van de bijbel niet aanvaarden, zulke opvattingen maakten de christen tot `vrijzinnige'.

Drees verzoekt de lezer `een beetje' eerder op te vatten als omschrijving van de manier waarop godsdienst in vrijzinnige kring wordt beoefend: minder dogmatisch, vrijer, relatiever. Dogma's en leerstellingen worden meer beleefd als thema's die `te denken geven' dan als voorschriften.

Dus wat zijn vrijzinnigen? Het boek bevat opstellen uit vrijzinnige hoek (Nederlandse Protestanten Bond, Remonstrantse Broederschap, Vereniging van Vrijzinnig Hervormden), maar helemaal duidelijk wordt het antwoord niet. Spiritualiteit als alternatief voor kerk, vrije gedachte in plaats van leerdwang, het esthetische als toegang tot God, een hele staalkaart van favoriete vrijzinnige thema's komt aan de orde. Maar wat is spiritualiteit? Adriaanse wijdt er een opstel aan, Willemien van Veen-de Graeff zegt dat we ermee uitdrukken uit welke geest een mens leeft. Alle auteurs gaan ervan uit dat hun bijdragen vrijzinnig zijn, maar een aantal opstellen had in bundels van andere snit niet misstaan.

Daarmee zijn we bij een probleem. Vrijzinnigheid heeft orthodoxie nodig om te kunnen bloeien. Zonder een leerstellige kerk verliest ze haar stootkracht en weerstand, en waaieren de gedachten alle kanten heen. Maar tegenwoordig zijn ook de kerken zelf het leerstellige spoor enigszins bijster, en dat maakt het voor de vrijzinnigheid lastig zich te profileren. De auteurs van de opstellen hebben nu te vrij spel. De regenboog (Menno Rougoor) is een fraaie metafoor van een veelkleurige religiositeit, maar staat te ver van de gevestigde orde af om gevaarlijk te zijn. Hoe dichter de vrijzinnigheid bij de orthodoxie blijft, des te beter ze functioneert. Neem wat Lenie Reijendam-Beek over het gebed naar voren brengt. Het is even prachtig als praktisch, al is ze dan wel degelijk vrijzinnig: Jezus is voor haar niet God, om maar iets te noemen. Het voordeel van zulk vrij zwemmen is dat je ook weer naar allerlei traditionele opvattingen kunt terugkeren. Maar dat doet de bundel lang niet overal. Hij is bij tijden informatief (Hoekema over de Aziatische christologie) en verwaarloost ook niet het ethische accent dat de vrijzinnigheid altijd lief was (Noorman over geloven in de grote stad Rotterdam), en aan het slot staat een keurig overzicht van de geschiedenis van het vrijzinnig protestantisme in Nederland.

Te braaf dus, of te academisch? Is er geen knuppel meer die de vrijzinnigheid in het hoenderhok kan gooien? Ik meen van wel, maar het thema ligt verdekt opgesteld, en is volgens mij niet aan alle scribenten even duidelijk. Ze hanteren vrij gemakkelijk dezelfde vooronderstellingen als die van de orthodoxie: het spreken over God als een subject. Ze gaan er wel een beetje anders mee om, maar toch. Dat lijkt mij een gebrek aan doordenking, en juist daar zouden de kerken de vrijzinnigheid zo goed voor kunnen gebruiken, om niet te zeggen: daarvoor hebben ze haar broodnodig.

Het opstel van Drees raakt nog het beste de kern van de problematiek: wat is religie, nu we zoveel weten van psychologie, van de wording van mens en wereld, van neurofysiologie? Zijn antwoord is verstrekkend: hij vat religie functioneel op. Ze past in de evolutie, en levert daaraan een bijdrage. Het betekent dat hij achter cognitieve uitspraken over `God' een vraagteken zet. In mijn ogen ligt op dat punt de uitdaging die wetenschap en cultuur vandaag de christenheid voorhouden. Het brengt mij op de vraag waarom de vrijzinnigheid haar werk niet zou voortzetten binnen de gevestigde kerken. Daar zou ze niet alleen meer kunnen betekenen, maar haar manier van participeren aan de christelijke geloofstraditie (`een beetje') zou menig kerklid verlossen van de gedachte te moeten kiezen tussen helemaal of helemaal niet.

W.B. Drees (red.): Een beetje geloven. Actualiteit en achtergronden van het vrijzinnig christendom. Balans, 211 blz. ƒ39,50