Een blauwe trui uit Patagonië

In een serie recensies van boeken die in het literaire hoogseizoen onopgemerkt bleven, deze week aandacht voor `Het meer van verhalen' van Aafke Steenhuis, Contact, 142 blz. ƒ32,50.

De mooie vrouw van de Cuba-kenner blijkt een voormalige geliefde van je man te zijn. De gast uit Groningen blijkt de vreemdeling te zijn van wie je in Patagonië een blauwe trui kreeg. En na een avondje babbelen over moordzucht in de vrouwenpraatgroep, drijft er een boodschappentas naast je woonboot met een stukje lijk erin. Allemaal wonderlijke staaltjes van toeval die te ongeloofwaardig zijn om in de krant te zetten. Daarom heeft journaliste Aafke Steenhuis ze opgespaard en samengebracht in haar verhalenbundel Het meer van verhalen.

Steenhuis werkte jaren voor De Groene Amsterdammer, ze schreef verscheidene non-fictie boeken, waaronder een bundel interviews met vrouwelijke filmmakers (Een branding van beelden) en twee bevlogen reportages over Chili (Chileens Dagboek en Weerzien met Chili). Het meer van verhalen, haar literaire debuut, ligt dicht tegen de non-fictie aan omdat de verhalen, volgens Steenhuis, waar gebeurd zijn. `Precies zo, of bijna zo'.

In de autobiografische verhalen blijft Steenhuis dicht bij huis. Ze schrijft over het leven met haar man Milo op een woonboot in Amsterdam, over kinderen krijgen, overspel, echtelijke ruzies, de papegaai van de Turkse werkster en de ziekte van haar schoonmoeder. Het leven dat ze schetst, is tamelijk wolkenloos, vol vrienden, lampionnen en gelukkige momenten.

Soms is de beschrijving van het kleine geluk op het truttige af (`En toen begonnen er duiven te koeren, roekoe, roekoe.'). Maar net als je een beetje wee wordt van al dat kneuterig gedoe, gebeurt er weer iets wonderlijks of gruwelijks, waardoor de verhalen een bijna surrealistische draai krijgen, zoals wel gebeurt in de Latijns-Amerikaanse literatuur. De enige zwarte in het dorp verdrinkt zichzelf, de dichter Joseph Brodsky vergrijpt zich tijdens een interview aan Steenhuis' borsten, de boze buurman komt met een bijl binnenrennen en begint in de tuin een boom om te hakken. Echt surrealistisch zijn de anekdotes nooit, ze blijven binnen de grenzen van het mogelijke.

Steenhuis, die eenvoudig en met journalistieke helderheid schrijft, weet de wonderlijke en grillige wendingen mooi onverwachts en redelijk nuchter in haar verhalen te plaatsen, waardoor ze telkens weer verrassen.

Het mooiste verhaal is `De blauwe trui', waarin Steenhuis in haar woonboot zit te praten met de vriend van haar au pair-meisje. De man vertelt zijn levensgeschiedenis. Steenhuis vertelt haar belevenissen in Chili in de jaren zeventig. En dan vallen hun verhalen plotseling samen, als blijkt dat de man haar ooit, in de barre zuidpunt van Chili, een blauwe trui heeft gegeven. Steenhuis werkt mooi toe naar het moment waarop de verhalen elkaar kruisen, en laat dat bijna terloops gebeuren, zodat je nog eens terug moet lezen om het moment precies te bepalen.

In een ander boek zou een verhaal als 'De blauwe trui' ongeloofwaardig overkomen. Maar van Steenhuis wil je het wel geloven omdat ze, als haar eigen personage, buitengewoon integer en sympathiek overkomt. En dat is ook de belangrijkste kracht van deze bundel. Haar jaren-zeventig-bevlogenheid en begaanheid met Latijns-Amerika, de drukke en naïeve manier waarop ze door het leven rent, het getob over haar relatie – het wekt allemaal evenveel ontroering op.

Al in het eerste verhaal, `Over de bergen', komt dat sympatieke karakter van het personage Steenhuis naar voren. Ze beschrijft hoe ze op een schaatstocht in Noord-Holland door het ijs zakt. Weer op het droge, gered door een Portugese man, denkt ze geen moment aan haar eigen zorgwekkende toestand. In plaats daarvan roept ze blij: `Portugal! Daar ben ik geweest tijdens de revolutie!'. Kletsnat en onderkoeld begint ze in de vrieskou enthousiast de lof te zingen van de Portugese zonnebloemvelden. De Portugees kijkt haar een beetje bevreesd aan.