Economie van de kunstenaar (3)

Op de tentoonstelling Abracadabra in Londen is een eekhoorn te zien die zelfmoord heeft gepleegd. Het dier kon niet tegen de afwas op. De bordjes met de aangekoekte resten erop geschilderd en het pistooltje liggen erbij. Omdat de installatie in een museum staat, begin ik, ondanks mezelf naar een kunstzinnige interpretatie te zoeken. Maar omdat we in een humanitaire tijd leven en, in ieder geval voor mij, het dierenbevrijdingsfront zijn sympathieke kant heeft, vraag ik me eerst af, hoe dit tot kunst verwerkte knaagdier aan zijn eind is gekomen. Dat hoort er op een bordje bij te staan. Het geheel is een typische creatie van een vondstenaar.

Ik zou er niet over hebben geschreven als niet het Stedelijk Museum een werk van Damien Hirst had gekocht, een glazen container met ziekenhuisafval die vorm geeft aan `de technocratische benadering van leven en dood'. In 1994 heeft deze installatie schandaal veroorzaakt, de mensen geshockeerd, ze de bekende vraag doen stellen waarom `dat nodig is'. Eerlijk gezegd weet ik het ook niet. Technocratisch wordt een mens in een ziekenhuis al benaderd lang voor hij een operatiemes gezien heeft, namelijk aan de balie. Als ik kunstenaar was, zou ik misschien een installatie maken met zo'n balie, daarachter een paar sprekende poppen die de kunstliefhebber de vragen stellen, alsof hij zelf aanstaand patiënt was, en hem intussen met ziekenhuislucht beblazen. Het is een ideetje.

Dit kunstwerk van Hirst is ongeveer in dezelfde tijd geconcipieerd dat mensen die op de tram stonden te wachten, werden `geconfronteerd' met het bebloede shirtje van de Bosnische gesneuvelde, die postuum is opgeroepen voor de dienstplicht door de fotograaf van de United Colours of Benneton. Ook deze, Oliviero Toscani, werd gedreven door het ideaal, de mensen bewust te maken van de toestand in de wereld. Het is misschien wat kinderachtig te zeggen, dat er in Srebrenica, Kosovo en Pancevo nog steeds volop werk aan de winkel is. Als idealistisch en kennelijk geëngageerd kunstenaar wiens kunst staat of valt met de eigentijdse interpretatie, zou je er dus op z'n minst bij moeten vertellen waarom je het na de oorlog in Bosnië op het gebied van bebloede uniformstukken voor gezien hebt gehouden.

Over de aanwinst van het Stedelijk las ik in de Volkskrant. Het was woensdagochtend, een uur of kwart over acht in lijn vijf. Op de halte voor het Concertgebouw legde ik de krant even weg, om te genieten van het uitzicht over het nieuwe Museumplein. Er zal van alles op aan te merken zijn, de eerste maagzweren van ergernis zijn al ontstaan, maar ik vind de wijdheid met het uitzicht op het Rijksmuseum en de uitbreiding van het Van Gogh mooi.

Van de Van Baerlestraat naar de Van der Veldenstraat loopt een klinkerpad, dat nog door een hoog hek van de grasvlakte gescheiden is. Die nacht had een ontevreden Amsterdammer andermans fiets gepakt, de wielen krom getrapt en het bewerkte geheel over het hek gegooid. Daar lag het glanzende karretje, onbereikbaar op het gras. En of het nu aan mijn door de lectuur al geconditioneerde artistieke waarneming lag - ik weet het niet, maar die kromgetrapte fiets op het gras had iets. Waarom, dacht ik, dit objet observé par moi-même niet op een sokkel gezet, een kap van kogelvrij plexiglas erover en aan een museum geschonken, als sculptuur van confrontatie met de rauwe Amsterdamse werkelijkheid? Omdat iedere Amsterdammer zou zeggen: `Dat is geen kunst, dat is een kromgetrapte fiets.' En ik zou iedere Amsterdammer die niet om de hoogte was van mijn interpretatie, geen ongelijk kunnen geven.

Met andere woorden: met veel installaties is het als met geneesmiddelen. Als je geen vergissing wilt maken, moet je eerst de bijsluiter lezen. Het verschil tussen de medische en de artistieke bijsluiter is, dat de eerste op maar één middel van toepassing is, en vice versa, terwijl een kromme fiets tot veel meer gebruiksaanwijzingen voor de beschouwer uitnodigt, zonder dat je de symbolische waarde ervan kunt ontkennen. De interpretaties liggen voor de hand.

Ook dit stukje gaat tenslotte over de economische positie van de kunstenaar. Op de vrije markt, in de sector waar de museumdirecteuren de vraag bepalen, hebben kunstenaars die eigentijdse, meeslepende bijsluiters kunnen schrijven, een sterke positie. Ik ontken niet dat het een talent is, en evenmin dat de geest van de tijd ermee... hoe zullen we het zeggen: vorm wordt gegeven.

Maar het is een efemere vorm, een wisselwerking binnen de tijdgeest waarin de artistieke copywriter zijn unieke bijdrage levert. Bekijk het eens van de andere kant. De liefste wens van menig reclamemens is, als kunstenaar te worden erkend. Op de vrije markt zie je menig kunstenaar tot de reclame komen.

    • H.J.A. Hofland