De Drentse Hobbema

Drenthe was eeuwenlang een afgelegen landstreek van boeren en herders. De buitenwereld had weinig invloed op het leven rondom de brink en op het veld. ,,De Drent heeft lang tevreden moeten zijn met hard werken op arme grond'', schrijft de psycholoog A. Chorus in De Nederlander uiterlijk en innerlijk. Voor de heemkundige A. Waterink is de Drent een binnenvetter die de buitenwereld het liefst op afstand houdt. ,,Hij schouwt het leven in zijn door akkermaalshout omgeven esschen en gooren.'' Als hij in een debat `joa, joa' mompelt, wil dat nog niet zeggen dat hij het met de spreker eens is.

Het arme, agrarische Drenthe kon niet als bakermat voor een bloeiend kunstleven dienen. Men kende er vroeger ,,niet het verpozen binnen de wereld van het imaginaire'', zoals de Grote Larousse Encyclopedie opmerkt. Weliswaar geloofde men heilig in heksen, weerwolven en witte wieven, maar die zaken werden destijds allerminst als imaginair beschouwd.

Al behoort de tekenaar met zijn schetsboek en de aquarellist met zijn ezel tot de vertrouwde verschijningen in het Drentse landschap, toch heeft er nooit een `Drentse School' bestaan.

De expositie Langs zandige wegen & vriendelijke dorpen in het Drents Museum in Assen laat daar geen twijfel over bestaan; in ongeveer tweehonderd schilderijen en tekeningen krijgt de bezoeker een indruk hoe kunstenaars de afgelopen vier eeuwen naar deze provincie hebben gekeken.

Vóór 1850 waren het kunstenaars op doorreis of schilders die voor een opdracht waren gekomen, die Drentse taferelen op het doek vastlegden. Dat gebeurde bijvoorbeeld op de schetsjes van Cornelis Pronk, die in 1732 door Drenthe trok. Door de opkomst van de Romantiek werd het achterlijke Drenthe opeens met andere ogen bezien. Met name de Groninger Egbert van Drielst (1745-1818) beeldde Drenthe uit op een manier die de moderne kijker doet smelten van nostalgie. Hij werd de `Drentse Hobbema' genoemd.

Pas met de opkomst van de Haagse School, in de tweede helft van de negentiende eeuw, komt er een ongeregelde stroom natuurschilders naar het noorden. Het werk van onder anderen Hendrik en Taco Mesdag, Anton Mauve, Floris Verster en Willem Wenckebach bevat Drentse impressies. Julius van de Sande Bakhuysen kwam bijna elke zomer naar Drenthe om er te wonen en te werken.

De beroemdste naam is natuurlijk die van Vincent van Gogh, die in het spoor van Max Liebermann naar het veen en de heide toog. ,,Ik geloof dat ik mijn landje heb gevonden, hoor'', schreef hij opgeruimd aan zijn broer Theo. In de herfst van 1883 liet hij zich overweldigen door deze nieuwe wereld. ,,Ik heb een eenvoudig plan voor mijzelf'', schreef hij, ,,ik ga naar buiten en maak wat me frappeert, laat mij doortrekken van heilucht, geloof dat ikzelf over een tijd frisser, nieuwer, beter zal zijn. Toe kerel, kom mee schilderen op de hei, 't aardappelveld, kom eens mee achter de ploeg en de schaapherder lopen.'' Helaas voor Drenthe bleef hij er maar drie maanden. Het doek De turfschuit is inmiddels eigendom van het museum.

Na 1900 begint de schilderkunst een eigen gezicht te krijgen. Het dorpje Elp werd de woonplaats van Louis Roessingh en Reinhart Dozy, die hun opleiding in Antwerpen hadden genoten. Het werk van de (post)impressionist Andr Idserda, die vele jaren in Drenthe heeft gewoond, is zwaarder en romantischer van aard. In Meppel vormde het atelier van autodidact Klaas Smink een ontmoetingsplaats voor collegaschilders. Zijn plaatsgenoot Antony Keizer liet zich inspireren door het landschap van hei en plaggenhut.

Ook uit Groningen streken schilders op het Drentse landschap neer: leden van de bekende kunstkring `De Ploeg', zoals Jan Altink en Johan Dijkstra, en kunstenaars die aan de Minerva-academie hadden gestudeerd.

Het meest recente werk is een olieverf van Berend Groen. Onder een stolp van grijze lucht draait de Drentse Aa een lus in het vlakke groene land van Noord-Drenthe.

`Langs zandige wegen & vriendelijke dorpen', t/m 22 aug. in het Drents Museum, di-zo 11-17 uur.