Celstraffen geëist tegen zes Koerden

Het openbaar ministerie heeft vandaag voor de rechtbank in Den Haag celstraffen geëist tegen zes Koerden wegens hun betrokkenheid bij de bezetting van de Griekse residentie op 16 februari.

Volgens het OM hebben de zes een centrale rol gespeeld in de bezetting. Tegen hoofdverdachte N.Y. uit Dortmund eiste de officier van justitie H. Ekelmans drie jaar cel, tegen vijf andere Koerden eiste hij twee jaar. Volgens het openbaar ministerie staat vast dat N.Y. de leider was van de actie. Y. is door de huishoudster herkend als degene die de actievoerders vanaf het balkon van de residentie met een megafoon toesprak en belde met de politie.

De bezetting van de Griekse ambassadeurswoning in Den Haag op 16 februari was een protest tegen de arrestatie van PKK-leider Öcalan in de Griekse ambassade in Nairobi. Tijdens de bezetting van de residentie werd de vrouw van de Griekse ambassadeur, haar zoontje en een huishoudster enige tijd gegijzeld. De zes verdachten is daarom behalve huisvredebreuk en vernieling vrijheidsberoving ten laste gelegd.

Tijdens de eerste dag van het proces ontkenden de zes verdachten gisteren betrokken te zijn geweest bij de de leiding. De bezetting van de Griekse ambassadeurswoning was volgens hen geen gecoördineerde actie. Evenmin waren de zes naar eigen zeggen op de hoogte van het feit dat er mensen werden gegijzeld. Hoofdverdachte Y. uitte in een verklaring zijn ongenoegen over zijn behandeling door de politie. Y. sprak van ,,dierproeven die hier op Koerden worden genomen.''

De advocaten van de verdachten eisten gisteren helderheid over de afspraken die zijn gemaakt met de bezetters van de Griekse residentie. Europarlementariër Sakellariou, die tijdens de bezetting onderhandelde, verklaarde eerder dat de politie de Koerden een vrijgeleide in het vooruitzicht had gesteld. Het verzoek van de advocaten om Sakellariou opnieuw te horen werd echter niet gehonoreerd.

De advocaat van verdachte F.A. vroeg om ontslag van rechtsvervolging, omdat A. ten tijde van de bezetting minderjarig zou zijn geweest. De Raad voor de Kinderbescherming kwalificeerde deze claim na een gesprek met A. echter als ,,ongeloofwaardig''.