Armando in Mondriaan

Op een cruciaal kruispunt van twee karresporen in het Amsterdamse Bos stond een paddenstoel. Hij was twintig maal zo hoog als een gewoon paddenstoeltje, vierkant, en van beton. Op de zijkanten had de ANWB, toen de W daarin nog voor wandelaars of wielrijders stond en de naam niet Automobilisten Nemen Wereld in Beslag betekende, aangegeven welk fietspad naast welk karrespoor ik moest inslaan om de Keistad te bereiken. Op de bovenkant van de paddenstoel zat een kwaadaardig meisje een popje te mishandelen. Haar paddenrokje bedekte mijn informatie. Ik stopte en verzocht het kind op te sodemieteren. ,,Waarom'', vroeg ze treiterig. ,,Voor een dubbeltje'', antwoordde ik en haalde het zilveren rondje te voorschijn.

De transactie zou juist plaatsvinden toen een bezweet en bezorgd ouderpaar uit de bosjes opdook, bij de vreugde over het weerzien met hun kind werd bedorven door de aanwezigheid van een potentiële pedofiel met een geldstuk in zijn hand. ,,Kom direct mee, Alice'', zei de vader, ,,en gooi dat vieze ding weg.'' Ik kreeg nog een verwijtende blik en de familie verdween. Zou een kortstondige ontmoeting met een pedofiel dubbeltje werkelijk zoveel erger zijn dan twintig jaar met dit ouderpaar?

Het poppetje, het vieze ding, kwam overeind, raapte zijn rode mutsje op, en rende in de richting van een gaatje aan de voet van de paddenstoel. Ik ben geen pedofiel, maar, zoals iedereen die mijn kans zou krijgen, een overtuigende en onbeschaamde kabouterofiel, dus ik pakte hem nog net bij zijn fluwelen lurfjes.

,, Laat me los'', riep hij met een merkwaardig harde stem voor een ventje van tien centimeter hoogte dat tien gram woog. ,,Als u eerst even wat vragen van me beantwoordt. Met hoeveel personen bent u? Zijn er ook vrouwtjes? Is het waar dat u des nachts de mensen helpt? Hoe komt u zo klein, pardon, ik bedoel: ik dacht altijd dat kabouters zo'n dertig centimeter groot waren.''

,, U denkt zeker aan die vieze betonnen tuinkabouters met hun obscene broekjes? Wij worden wel eens door u, reuzen, gezien, maar de mensen scheppen altijd zo op, daarom worden kabouters voor veel groter gehouden dan wij zijn. Waren wij enorm als tuinkabouters, dan had u ons allang gevangen en tot slaaf gemaakt. Maar voor ik u meer vertel, mijnheer, moet u mij eerst op de grond zetten, u knijpt veel te hard.''

,,Belooft u mij dat u niet weg zult lopen, maar eerst nog wat vragen beantwoordt? Misschien kan ik u ook ten dienste zijn met...'' Ik had geen idee waarmee ik een kabouter ten dienste kon zijn.

,,Ik zweer het u'', zei mijn kleine vriend en ik meende zelfs een vingertje de lucht in te zien gaan om zijn belofte kracht bij te zetten. Hoe zou hun God eruit zien? Zouden zij zelf in nog kleinere kaboutertjes geloven? Waarom droegen ze die folkloristische klederdracht? Ik had hem nog zo veel te vragen. Voorzichtig zette ik hem op zijn laarsjes op de grond. Hij rende naar het gat en was verdwenen voor ik hem kon grijpen.

Kabouters zijn dus kleiner dan we denken. Ze praten Nederlands met nauwelijks een accent. Ze bestaan. En ze zijn zo onbetrouwbaar als de pest.

    • Cees Stam