Achterblijven met de brokken

Het ene conglomeraat breekt af, het andere bouwt juist op. Akzo Nobel zette afgelopen week de definitieve stap om zijn vier kernactiviteiten tot drie te reduceren: verf, farma en chemie.

Het nauwelijks winstgevende vezelbedrijf Acordis komt in handen van de directie en CVC Capital Partners, een professionele financier van Amerikaanse huize die de afgelopen jaren verschillende Nederlandse conglomeraten van hun overtollige dochterbedrijven heeft afgeholpen.

Alleen al dankzij Nederlandse deals heeft CVC grote aandelenpakketten verkregen in uiteenlopende bedrijfstakken als uitgeverijen (Veen, overgenomen van Wolters Kluwer), verpakkingen (Kappa, overgenomen van KNP BT), voeding (Meneba, van Goodman Fielder uit Australië), schoenenwinkels (Hoogenbosch, van de Britse Sears) en drank (Bols, van BolsWessanen).

Wat voor de managers van deze ondernemingen geldt, is kennelijk niet van toepassing op die van participatiemaatschappijen als CVC. Concerns krijgen al jaren het advies, onder meer uit de financiële wereld, om af te slanken en alleen die zaken te ondernemen waarin zij werkelijk toegevoegde waarde aan hun klant en hun aandeelhouders bieden. Slechts een enkele topmanager is in staat om succesvol een conglomeraat met talloze, op zich zelf staande bedrijven te leiden. De uitzondering bevestigt de regel.

Hoe steekhoudend en profijtelijk opsplitsing van conglomeraten ook is, talrijke financiële instellingen en adviseurs zondigen zelf op grote schaal tegen deze regel.

Al participerend is CVC bijvoorbeeld een conglomeraat geworden met een verscheidenheid aan activiteiten die geen enkele beursgenoteerde onderneming zich nog durft te permitteren.

En dat is niet de enige tegenstrijdigheid. Professionele geldbeheerders, zoals pensioenfondsen en beleggingsmaatschappijen, zijn de voornaamste kapitaalverschaffers van conglomeraatbouwers als CVC. Dezelfde geldbeheerders spreken bestaande beursgenoteerde conglomeraten aan op hun veelvoud aan kernactiviteiten en propageren afslanking.

Zij zeggen het tegen de directie in onderonsjes. Of zij stemmen stilletjes met de voeten door hun aandelen op de effectenbeurs te verkopen. Of door aandelen van zulke conglomeraten nooit in hun beleggingsportefeuille te nemen. De professionele beleggers willen zelf beslissen in welke bedrijfstakken zij investeren, zij willen niet via belegging in één bedrijf met zowel koplopers als achterblijvers worden opgescheept.

Conglomeraten als KPN (post en telecommunicatie), Vendex (diensten, detailhandel en supermarkten), KNP BT en BolsWessanen hebben zich de afgelopen jaren mede onder deze financiële druk opgesplitst, maar talrijke industriële bundelingen bestaan nog. Internatio-Müller (van medicijnen tot en met installatiebedrijven) en Stork (van textielprintmachines tot vliegtuigonderhoud) op de effectenbeurs, de NS (railvervoer, vastgoed en telecom) als kandidaat voor een beursnotering.

Op de beurs voelen zulke concerns de moties van afkeuring van de professionele beleggers: hun aandelenkoers lijdt onder een zogeheten ,,conglomeraatskorting''. Expansie door grote overnames en bijbehorende aandelenemissies is voor hen niet weggelegd.

Tot nu toe hebben financiers als CVC alleen onderdelen van beursgenoteerde bedrijven opgekocht. Maar de eerste volledige overname van een beursfonds, met behulp van de directie, kan gezien de lage koersen onder de middelgrote ondernemingen niet ver weg zijn.

Terwijl industriële conglomeraten zich steeds moeten rechtvaardigen tegenover de financiële wereld, bouwen financiële conglomeraten als ING, Rabobank en Fortis onvervaard verder.

Zij doen net zo makkelijk in bromfietsverzekering en spaarrekeningen voor jongeren als in reïntegratiediensten voor zieke werknemers en in vermogensbeheer voor pensioenfondsen en in internationale aandelenemissies voor grote bedrijven.

Deze week zette adviesbureau KPMG, een conglomeraat van accountants tot en met interim-managers, ook een nieuwe stap: een joint-venture met de Amerikaanse onderneming Cisco, dé apparatenbouwer voor het Internet.

Tussen traditionele conglomeraten en onze manier van opereren zitten twee cruciale verschillen, betogen managers van participatiemaatschappijen als CVC. Hun kernbedrijf is uitgekookt scherpe financiering van bedrijven (een traditionele Nederlandse zwakte) om een zo mooi mogelijk rendement te krijgen op hun investering. Wat die bedrijven doen lijkt wel secundair.

Bovendien zitten participatiemaatschappijen met hun geld maar tijdelijk in een onderneming: twee tot zeven jaar op zijn hoogst. Zij verdienen het geld voor hun eigen aandeelhouders door andermans opgekochte dochters weer duurder door te verkopen: aan beleggers op de effectenbeurs, of aan andere bedrijven.

Onuitgesproken blijft daarbij de veronderstelling dat de kopers er tegen die tijd ook echt zijn. Als een beursmalaise toeslaat en ook de fusie-en overnamestorm is gaan liggen, blijven de financiële conglomeraten met hun aandelenpakketten zitten.