Trou moet blijcken

Inisiasie

Dit was op een van daardie dae wanneer,

so meen sommige mense, niks gebeur nie.

Niks het op die hoewe beweeg nie

behalwe onbespeurbaar, die aarde.

In die verte was die smeulende geweerlope

van 'n steengroef se gruishope.

Ek onthou hoe helder die venster

se skaduwee op die vloer lê;

die beklemmende slaap daarna:

realiteit en droom is twee emmers

van dieselfde waterdraer.

In die middag en my droom se gedeelde halflig

moes ek heidense maskers aanpas,

oorspronklikes van my eie vervalste gesig.

Die kussing se rooster was in my gesig afgedruk soos vlerke,

toe ek wakker skrik en vaskyk teen my muurplakkaat

van 'n Afrika-gesig met diep inisiasiemerke.

Charl-Pierre Naudé (geb. 1958)

Hoe je het ook wendt of keert, een witte Afrikaan houdt het een beetje moeilijk met zijn culturele identiteit. Vroeger loste de politiek dat probleem voor sommigen op, nu zit iedereen ermee. Al roept een Afrikaander nóg zo luid dat hij er geen moeite mee heeft, na enig aandringen stuit je toch op een of ander restantje van het probleem.

Met een wel heel plompe generalisatie komt zijn probleem hierop neer: hoor ik bij Afrika of ben ik deel van een Westerse cultuur?

Vanzelfsprekend hoort hij bij Afrika. Zijn overgrootouders en betovergrootouders woonden er. Het hele complex van weersgesteldheid, vogelgeluiden en volksgeloof zit in zijn aderen. Afrika is zijn thuis. Zijn voorgeslacht heeft bloed, veel bloed geofferd in dienst van zijn land: wat méér kan je doen om je liefde te bewijzen? Hij kent de boesmanwijsheden en de zoeloelegenden, zijn karakter is geboetseerd naar de weidsheid en de droogte van zijn land.

Vanzelfsprekend maakt hij deel uit van de Westerse cultuur. Hij leert zijn Engels, Frans en Duits. Hij luistert naar Mozart en Ravel. Hij heeft de signalen van de schilderijen van Picasso en Dali in zijn kop. In zijn geschiedenisboekje komen namen als Vasco da Gama en Napoleon voor. Er huivert een bleke demon van puritanisme door zijn bloed. In zijn nachtmerries hangt er vaak een calvinistische bijbelspreuk boven zijn bed. Hij kent minstens een boek van Dickens en hij kent minstens een boek van Beckett. Allemaal vreemde, oninheemse, on-Afrikaanse bijzonderheden.

En dan, als puntje bij paaltje komt, is daar die taal. De ontdekking, vroeg of laat, van het verre Nederlands als een variant van je eigen taal.

Zich helemaal Afrikaan voelen, zich helemaal een Europeaan voelen, het zijn extremen die in werkelijkheid waarschijnlijk niet voorkomen, of je zou moeten huichelen dat je scheel ziet. Zoveel Afrikaanse hoofden, zoveel tussenvormen van Afrika.

,,Wat is mijn onderdak?'', schrijft Elsa Joubert, ,,de rationele geesteswereld van het Westen waarin ik van kindsbeen grotendeels heb verkeerd, of de meer kosmisch gerichte, meer intuïtieve, versluierde, bij tijden onkenbare geesteswereld van Afrika?''

Iedere Afrikaander lost dat niet geheel ontragische probleem op z'n eigen manier op, moet dat op z'n eigen manier oplossen. Er is haast geen manier dezelfde. Het kan elk stadium tussen bovengenoemde extremen zijn. Het kan elke mengeling van die stadia zijn.

Sommigen vinden een compromis, anderen leven in verscheurdheid. Het merendeel beseft, uit gewoonte of desinteresse, niet eens in wat voor hybride staat van met zichzelf marchanderende gespletenheid het verkeert. Ook die moeten de laatste tijd wakker worden.

Hoe je het probleem oplost, hangt af van je familie-genen en je politieke gezindheid, van je rancune en je hoop voor de toekomst, van je strafblad en je ambitie, van je historisch benul en je naïveteit en, gewoon ook, van je vrienden en je humeur.

Er zijn mensen die zich makkelijk door de traditie laten leiden en er zijn mensen die aan de traditie hun gat afvegen. In Zuid-Afrika valt voor beide iets te zeggen. En voor alles daartussenin.

Er zijn er die van dat hele verdomde Europa niets willen weten. Geef ze eens ongelijk. Er zijn er die in Pretoria op straat Leise flehen meine Lieder fluiten. Geef ze eens ongelijk.

Het probleem blijft. In wat voor Afrika woont de witte Afrikaan?

Hij scharrelt rond in doolhoven. De zwarte en de bruine ritmes, hoe ver zijn ze, hoe dichtbij? Voor steekvliegen uit de woestijn heb je spuitbussen, maar hoe bestrijd je een continent dat in je hart huist? Ek moet 'n naam vir my land bedink, heet een gedicht van Pirow Bekker (geb. 1935). En hij noemt zijn land anderland, my anderse anderland. Elsa Joubert gebruikte de term tussenlanderschap. Anders, tussen – het land van de Afrikaander zal nooit voor honderd procent samenvallen met het land van zijn dromen.

Hij wil er soms zo graag het land van zijn keuze van maken. Maar zijn voorouders hadden het land al voor hem uitgekozen. Trouwens, identiteit is nooit een kwestie van vrije keus. Hoe intenser hij zijn Afrikaanse identiteit dus wil beleven, hoe eerder hij het fundament zal voelen rammelen. Zo raakt de cirkel nooit gesloten –

hoe lank meen ons om hier uit te hou?

ons wat gestrand het teen hierdie geil vasteland

sonder om ooit in Afrika onloënbaar aan te land

– dichtte Antjie Krog in visioen van 'n nasie. Lees ook bijgaand gedicht in het licht van het bovenstaande. Het is afkomstig van een van de beste jongere Afrikaanse dichters van deze tijd.

Het zal duidelijk zijn dat in dit gedicht, in tegenstelling tot wat in de eerste regels wordt aangekondigd, iets essentieels, iets ingrijpends gebeurt. `Realiteit en droom zijn twee emmers van dezelfde waterdrager.' De in elkaar grijpende overgang van de heidense droommaskers (`van mijn eigen vervalste gezicht') via de afdruk van het hoofdkussenpatroon in het gelaat naar de frontale confrontatie met het affiche tegen de muur werkt ontstellend. `Diepe initiatie-kenmerken.'

Inwijding, littekens, het is Naudés manier van probleembeheersing. De droom is de realiteit en de realiteit is de droom. Afrika beslist. Er is geen keus.

    • Gerrit Komrij