Politici zijn het zicht op de democratie kwijt

Het overhevelen van politieke verantwoordelijkheid naar ambtenaren maakt de weg vrij voor een liberale bureaucratie en zal leiden tot een dalende interesse van het publiek in de politiek, meent

Jacek Magala.

De oproep van topambtenaar Geelhoed om een deel van de politieke verantwoordelijkheid over te hevelen van de minister naar zijn ambtenaren mag een echte democraat als heiligschennis in de oren klinken, het geeft goed aan hoe het met de democratie in het algemeen, en de Nederlandse in het bijzonder, is gesteld.

De reactie van P. Cliteur in NRC Handelsblad van 7 augustus was terecht: ambtenaren zijn civil servants met een strikt uitvoerende taak. Zij dienen hun plaats in het politieke bestel te kennen en op de juiste momenten hun mond te houden (tegenover de pers), dan wel open te doen (als het van de minister uitgaande verzoeken om informatie betreft). Waarmee niet gezegd is, dat dit een reële verwachting is. Allicht bouwt een ambtenaar in de loop der tijd een zekere technische expertise op, die hem in staat stelt de bewegingsvrijheid van een minister te beperken.

Democratie is geen gegeven dat, als de juiste instituties eenmaal ontwikkeld zijn, voor eeuwig blijft bestaan. Veeleer is democratie niet meer dan een utopisch ideaal, waarvoor elke dag moet worden gevochten. Toch is in de loop der tijd wel degelijk sprake van vooruitgang. Toen Tocqueville begin negentiende eeuw zijn lofzang op de Amerikaanse democratie beschreef, kenden de Verenigde Staten nog slavernij, waren vrouwen uitgesloten van het kiesrecht, gold in het Wilde Westen het recht van de sterkste, en werd de inheemse bevolking uitgemoord.

Maar waakzaamheid is geboden, vooral nu we in zelfvoldaanheid lijken te verzinken. De groeiende populariteit van het poldermodel buiten de landsgrenzen hangt samen met het wegvallen van de grote ideologische tegenstellingen. Een ideologische positionering in het debat, zowel als het debat an sich, is minder belangrijk geworden bij het nemen van politieke beslissingen. Pragmatisme is het toverwoord in de Europese hoofdsteden.

Het ontbreken van een echt publiek debat wordt vaak toegeschreven aan de groeiende apathie van een volk, dat niet meer in ideologie geïnteresseerd zou zijn. Het is waar dat de voortschrijdende individualisering het moeilijker heeft gemaakt een homogene coalitie, gebaseerd op reële belangen te bewerkstelligen. Echter, dit is niet de ware oorzaak van de crisis van onze democratie. Daarvoor zijn andere verklaringen aan te wijzen.

Ten eerste moet het publiek iets te kiezen hebben, voordat een daadwerkelijk debat plaats kan vinden. Op dit moment valt in Nederland slechts te kiezen uit diverse gradaties van de kleur grijs, elkaar verdrukkend in de strijd om het politieke midden. Burgers moeten dus meer dan nu het geval is, de kans krijgen een verschil te maken. Dit valt niet te bereiken door fopspenen zoals het correctief referendum. Voor een debat is namelijk behalve solide instituties, een gezonde politieke cultuur noodzakelijk. En die vinden we niet in het narrige autisme van Wim Kok en zijn ploeg.

Ten tweede: de ontkenning van mogelijke ideologische verschillen. Politieke beslissingen, zo wordt ons voorgehouden, worden genomen op pragmatische gronden, gericht op het algemeen belang. Hoewel niet valt te ontkennen dat er zoiets is als het algemeen belang, gaat een dergelijke redenering voorbij aan het gegeven dat elke politieke beslissing de belangen van bepaalde sociale groeperingen meer dient dan die van andere.

Er moet ruimte zijn voor een debat, waarbinnen de rijkdom aan posities en belangen van de burgers onbelemmerd tot uiting kan komen. Alleen in een situatie waarin de publieke opinie zich kan manifesteren, kan de politiek het primaat in de besluitvorming weer opeisen en de bureacratie te lijf gaan.

Geelhoeds voorstellen voeren ons verder weg van de democratie en legt veel macht in de handen van ongekozen functionarissen, die bijna niet te ontslaan zijn. Buiten dat zijn ze een weerspiegeling van een trend die in de hele westerse wereld waarneembaar is, namelijk de afnemende relevantie van de politiek en de toenemende macht van de anonieme technocraten. In dit verband zou gesproken kunnen worden van een liberale bureaucratie in plaats van een liberale democratie.

De manifestaties van deze verschuiving zijn er overigens mede debet aan dat het publiek verder haar interesse in de politiek verliest. De liberale bureaucratie is een technocratische bestuursvorm, die in de kern neerkomt op een op consensus gerichte machinerie, die door omzichtig formuleren de politieke aspecten van elke beleidsbeslissing verdoezelt. Aanvallen op de status quo worden gepareerd door een uitgebalanceerd systeem van coöptatie – een coöptatie onder auspiciën van een old boys network op de snijvlakken van overheid, politiek en semi-gouvernementele organisaties.

De beste illustratie van waar een dergelijk systeem op neerkomt, wordt gegeven in Van Wolferens The Enigma of Japanese Power, waarin hij beschrijft hoe Japan in feite wordt gecontroleerd door een elite bestaande uit vertegenwoordigers van overheid, bedrijfsleven en politiek. De vervlechting tussen deze sectoren is groot, en het is niet ongebruikelijk dat een ambtenaar na een lange carrière bij bijvoorbeeld het ministerie van Financiën overstapt naar een particuliere bank om zich daar te vergewissen van een mooi pensioen. Welke gevolgen dit heeft voor de onkreukbaarheid van zo'n ambtenaar laat zich raden.

Meer in het algemeen geeft het Japanse politieke bestel een beeld te zien van grote stabiliteit, niet als gevolg van een illusoire consensus, maar als gevolg van de onwrikbare grip waarin dit netwerk van ambtenaren, politici en ondernemers Japan houdt. Verkiezingen leiden niet tot grote koerswijzigingen en de bereidheid en capaciteit tot verandering zijn niet bijster groot. Dit komt doordat in dit systeem van elkaar balancerende krachten, geen werkelijk centrum bestaat – precies zoals de Tilburgse politicoloog Frissen dat over Nederland constateert.

Er ontstaat een bureaucratie die de facto steeds meer de macht uitoefent en politici het nakijken geeft. Gekozen politici die het zicht op de fundamentele waarden van de democratie en op de principes volgens welke zij functioneert kwijt zijn geraakt, en zich dientengevolge bedienen van een pragmatische terminologie zonder overigens de consequenties uit eigen falen te trekken. Met als gevolg een volledig negeren van de burgers en de elementaire principes van de democratie.

Jacek Magala studeert sociologie