Oog voor schoonheid van snelweg

Frankrijk heeft een reputatie hoog te houden waar het gaat om de voorzieningen voor automobilisten langs de snelweg. Gaat in Nederland vooral de aandacht uit naar onderhoud, toezicht en civiele kunstwerken, in het veel grotere Frankrijk heeft men meer oog voor de esthetiek van de snelweg en de ervaring van het reizen. De Franse aires, de `verzorgingsplaatsen' zoals ze in Nederland heten – een woord dat toch altijd een beetje de bijklank heeft van een `afwerkplaats' – voorzien niet alleen in een prozaïsche behoefte, het is er vaak zelfs prettig toeven. De voorzieningen variëren van toiletten onder een van verre herkenbaar afdak tot hele eet-, speel-, winkel- en rustcomplexen. In principe is er om de veertig kilometer een aire de service, die dagelijks wordt geïnspecteerd en driemaal per jaar aan groot onderhoud onderworpen.

Mocht u deze zomer langs Frankrijks Atlantische kust over de tolweg A16 rijden, let dan ter hoogte van het Normandische Abbeville op de borden naar de vorig jaar geopende Aire de la Baie de Somme. Hier laat de Parijse architect Bruno Mader zien dat bouwen langs de snelweg bepaald niet banaal of blikkerig hoeft te zijn, en dat uitgekiende systeembouw en betaalbare materialen een blijmakend staaltje `roadside architecture' kunnen opleveren.

Al uit de verte valt deze aire op. Dat wilde de opdrachtgever ook: het provinciaal bestuur wilde dat dit een `vitrine touristique' zou zijn die mensen van de snelweg af, de streek in zou lokken. Daarom vind je binnen behalve de gebruikelijke voorzieningen ook een winkel met streekprodukten – potten met appelgelei en ingemaakte zeekraal, boeken over vogels en slagvelden, een onheilspellend rek met regenjacks – en vitrines over literaire grootheden die hiervandaan komen of hier werkten, zoals Alexandre Dumas en Jules Verne.

Vanaf de weg zie je op een heuvel een heel groot, hellend houten dak waar palen doorheen steken. Het lange gebouw daaronder bestaat uit veel glas met daarin geschoven drie stenen blokken: het restaurant, de winkel en het blok met toiletten en telefoons. Het glas loopt nog verder omhoog, waardoor het dak er luchtigjes boven lijkt te zweven. Als een arcade loopt voor het gebouw langs een rij boomstammen die dwars door het dak steken. De materialen zijn eenvoudig: glas, veel gegalvaniseerd staal, hout of zelfs dunne mutiplex-platen voor de afwerking van het dak aan de binnenkant. Het stenen deel bestaat uit stalen frames gevuld met beton waarin kiezels zijn gedrukt om er een structuur aan te geven.

Boven de ingang staat in jaren-dertig-stijl stalen letters Aire de la Baie de Somme. Dan sta je in een lange, hoge, lichte ruimte met een glazen achterwand, een baksteenrode binnenmuur en daartussen een mat glanzende natuurstenen vloer. Buiten staan behalve een breed terras ook een grote windmolen, een speeltuin en verlichte vijvers omzoomd met riet en vlonders. De opdrachtgever heeft ervoor gezorgd dat deze aire niet alleen vanaf de tolweg toegankelijk is, maar ook vanaf locale wegen; mensen uit de omgeving gaan hier naar toe om te ontbijten, en schoolklassen komen om de vitrines over literatuur en de ecologie van de streek te bekijken.

Pal achter het hoofdgebouw staat nóg een attractie: een belvédère. De uitzichttoren is uiterst eenvoudig: een betonnen koker met trappen langs de buitenkant, en om dat alles heen een dunne huid van houten latten. Als de zon erop valt ontstaat een fijn patroon van lijnen met de latten en de schaduwen die ze op de betonnen binnenwand werpen. In de belvédère is een diashow over de baai van de Somme (veel vissersbootjes en natuur), vanaf het dak heb je uitzicht over de aire, de A16 en het omringende landschap. Juist daarom is het in Frankrijk beleid om de aires op heuveltoppen te zetten. Feest!

Voor de landschapsarchitecten Jeroen Bosch en Anne Bousema waren de Franse aires – `een kleurrijke stijlcatalogus van parken en tuinen' – aanleiding om voorstellen te bedenken voor verbetering van de Nederlandse verzorgingsplaatsen. In de inleiding van hun `Landschappen van de Autoroute' beklagen zij zich over de onverschilligheid en willekeur in Nederland, die het gevolg zijn van `desinteresse voor het onderwerp in combinatie met een ontoereikend beheer'. Zij hebben daarom een `inrichtingsstrategie' bedacht, waarbij de snelweghaltes een servicestrip krijgen, een drie tot vier meter brede verzamelpunt van de diverse voorzieningen, en de carpoolplaatsen een service-eiland, allemaal in dezelfde stijl uitgevoerd. Daar voegen ze elementen aan toe die met het omringende landschap te maken hebben, variërend van specifieke bomen en struiken, vijvers met waterlelies of een vlak wilde crocussen dat de weg wijst naar een AC Restaurant. Zo kunnen de halteplaatsen uitgroeien tot `herkenningstekens, logo's van de Nederlandse snelwegen'.

Een paar jaar geleden maakte de afdeling Verkeerswegen van Rijkswaterstaat een studiereis naar Noord-Frankrijk. In het verslag schrijven twee van de deelnemers: `De exploitatiemaatschappij ziet de weggebruikers als haar klanten en vanuit die optiek bieden ze een product aan waar om wordt gevraagd. Is deze houding te vertalen naar de Nederlandse situatie? Kan en wil Rijkswaterstaat zich als een gastheer opstellen?'

Nederland is natuurlijk Frankrijk niet. Het land is kleiner, de reizen zijn korter, het landschap is minder gevarieerd, en in Frankrijk zijn de snelwegen, zeker de tolwegen, grotendeels geprivatiseerd. Maar toch: als de verstedelijking in Nederland zich in de komende jaren inderdaad langs de (snelweg)corridors gaat voltrekken, zoals minister Pronk van VROM dat wil, dan kunnen we een voorbeeld nemen aan deze combinatie van eenvoud met schwung in Normandië.

Gebouw: Aire de la Baie de Somme. Langs de A16 bij Abbeville, Normandië, Frankrijk. Architect: Bruno Mader, Parijs. Opdrachtgever: Conseil Générale de la Somme. Bouwsom: 11 miljoen gulden.