In beursfraudezaak wint vooral de fiscus

Een oud-topman van het Philips-pensioenfonds heeft in het beursfraudeschandaal voor miljoenen guldens met justitie geschikt. Hoewel zijn naam altijd in verband is gebracht met voorkennis, gaat het in de schikking vooral om fiscale vergrijpen.

Aan het geld ligt het niet. `Operatie Clickfonds', het grote onderzoek van het Amsterdamse Openbaar Ministerie (OM) naar financiële fraude, heeft de fiscus in ieder geval geen windeieren gelegd. Tientallen belastingontduikers, vaak houders van zogenaamde `coderekeningen' in Zwitserland, hebben de schatkist inmiddels voor zo'n honderd miljoen gulden aan navorderingen en boetes gespekt.

Voorlopig hoogtepunt is de hoge schikking die justitie onlangs blijkt te zijn overeengekomen met Fred H., de voormalige adjunct-directeur en hoofd beleggingen van het Philips-pensioenfonds. Maar zelden heeft een individu (liefst 12,5 miljoen gulden; 11 miljoen fiscale overtreding en 1,5 miljoen voor het afkopen van verdere strafvervolging voor valsheid in geschrifte) zó diep in de buidel moeten tasten om de gang naar de rechter te voorkomen.

Onmiskenbaar een succes dus voor het OM en toch is er binnen het Clickfonds-team ook enige teleurstelling op te tekenen. Fred H. was immers geen verdachte zoals de tientallen coderekeninghouders die een tonnetje of drie in Zwitserland of Luxemburg buiten het zicht van de fiscus probeerden te houden. Nee, bij H. was er meer aan de hand. Hij was beheerder van een groot pensioenfonds (in totaal bijna 30 miljard gulden), waarbij de hoop leefde dat er ook op het gebied van voorkennis winst was te halen voor justitie.

Onder meer om die reden was zijn arrestatie in het kader van het grote beursfraudeschandaal, op 4 november 1997, dan ook groot nieuws in de financiële wereld. Daar was die dagen trouwens geen gebrek aan. Sinds 24 oktober, de publicitaire start van `Operatie Clickfonds', was de Amsterdamse effectenbeurs dagelijks op de voorpagina's te vinden. In negatieve zin, wel te verstaan: effectenhandelaren van naam en faam werden zonder pardon achter slot en grendel gezet, er werden invallen gedaan bij banken met een grote reputatie, commissionairshuizen kwamen in de vuurlinie te liggen. De aanhouding van H. trok extra aandacht, natuurlijk omdat hij verbonden was aan een van Nederlands bekendste bedrijven, maar vooral vanwege zijn functie: topman bij een pensioenfonds.

Dat paste allemaal precies in de geruchtenstroom van die dagen: pensioenfondsbeheerders zouden onder één hoedje hebben gespeeld met commissionairs en zo een cruciale schakel zijn geweest in een complex dat voor 't gemak al snel `beursfraude' werd genoemd. De theorie was simpel: pensioenfondsbeheerders zijn, uit hoofde van hun functie, op de hoogte van voorgenomen beleggingen die de koers van het betrokken fonds zal opdrijven. Ze spelen die informatie door aan een commissionair, kopen alvast een pakketje effecten en delen in de winst. `Frontrunning' heet dat in vaktermen.

De figuur van Fred H. paste precies in die theorie. Was hij immers niet goed bevriend met Adri S., één van de bekendste commissionairs van het Beursplein en een van de vier hoofdverdachten in Operatie Clickfonds? Was hij zelfs als privépersoon niet betrokken bij het web van rechtspersonen dat S. onderhield?

Ook justitie vermoedde het een en ander op het vlak van voorkennis, zo blijkt uit de verhoren die H. in de ruim zes weken gevangenschap zijn afgenomen en waarbij hem diverse verdachte transacties werden voorgelegd, transacties die hij, vaak samen met S., deed op een Zwitserse rekening. Een paar dagen later werden de affaires gevolgd door aankopen van dezelfde aandelen door het Philips pensioenfonds, onder andere in de fondsen ABN Amro, Bols en Borsumij Wehry. Maar H. ontkent in alle toonaarden: ,,Frontrunning? Ik zeg u dat dat onmogelijk is. Ten eerste omdat ik dat als belegger misdadig vind. Ten tweede weet ik niet van tevoren wat een portfoliomanager gaat doen'', aldus H. in zijn verhoren waarin hij ook benadrukt dat hij het Philips pensioenfonds nooit zou hebben benadeeld.

Juist vanwege zijn nauwe banden met S., heeft het Clickfonds-team intensief gezocht naar strafrechterlijk bewijsbare aspecten op het gebied van voorkennis of frontrunning. Uit het dossier H. blijkt bijvoorbeeld dat justitie lange tijd heeft gewerkt aan een verdacht lijkende front running-affaire wat later gewoon een foute transactie bleek, die op tijd weer was teruggedraaid. Het geeft maar weer eens aan dat frontrunning en voorwetenschap in theorie prachtig zijn uit te tekenen, maar dat het in de praktijk van het strafrecht zeer moeilijk bewijsbaar blijkt, àls er al sprake van is.

Het is een complicatie waarmee het Clickfonds-team meer mee te maken heeft. Ook in de zaken van de hoofdverdachten Adri S., E. Swaab (waarin bijvoorbeeld een medewerker van het pensioenfonds voor de Metaalnijverheid een rol speelt) en oud-Leemhuis en Van Loon-directeur H. Vermeulen, zo bevestigen bronnen uit het team, is het bewijsbaar maken van voorkenniszaken buitengewoon complex, al is justitie nog steeds van plan om een aantal verdachte affaires voor te brengen.

Dat neemt allemaal niet weg dat de zaak H., zoals het hele Clickfonds tot nog toe, vooral een groot fiscaal succes voor justitie is geworden. Of het beursfraudeschandaal uiteindelijk méér dan dat zal gaan opleveren, zullen vooral de rechtszaken tegen de vier hoofdverdachten (naast S., Swaab, Vermeulen ook vermogensbeheerder D. de Groot) moeten bewijzen. Naast voorkennis en frontrunning speelt in een aantal van deze zaken nóg een gevoelig, maar moeilijk bewijsbaar aspect: het witwassen van criminele gelden. Toch denkt het OM ook daar concrete aanwijzingen te hebben. Overigens zullen de rechtszaken tegen de vier hoofdverdachten pas in de loop van volgend jaar voor worden gebracht.