Hé, hallo!

Het is nog even wennen aan al dat mobiele bellen op straat. Ook voor honden. Die van mij was het gewend om in de stad regelmatig door vreemden te worden aangesproken. Er volgde dan een kort kwispeltje, soms op het aanmatigende af, maar toch: beleefd.

Nu weet hij niet meer waar hij aan toe is. Iemand die we passeren, roept opeens hartelijk: `Hé, hallo, met mij, hoe is het.' Daarbij keert hij ook nog de blik naar beneden. En terwijl hij de weersgesteldheid doorgeeft aan de andere partij in een stadswijk verderop – `ja, hier schijnt de zon ook' – staat de hond al klaar met zijn kwispeltje.

Dat valt in het luchtledige. Aarzelend stopt de hond, maar dan maakt de beller met zijn vrije arm weidse bewegingen om zijn luide woorden – `O ja joh, heb je al melk gekocht?' – kracht bij te zetten. Het komt wervend over, en weer wil de hond de beroerdste niet zijn. Hij wil die roep om contact best beantwoorden. En hoewel het meestal oudere dames zijn die zich gewapend met koekjes op wildvreemde honden storten, zit er nu voor hem misschien ook wel iets in. Hij kwispelt weer.

Pas dan dringt geleidelijk tot hem door dat deze persoon niet helemaal goed is, en loopt hij, na een weifelende blik op mij, weer door. Honden zijn vrij ruim van opvatting over contactgestoord gedrag, maar deze misser moet hij even verwerken. Hij wijt het aan zichzelf, dat kun je zien. In de trein is het hetzelfde, tegenover de plotseling spraakzame mobiele beller. Dan staat hij ook even op het verkeerde been. En probeert daarna, wat tobberig, verder te slapen.

Luidruchtige gekken en dronken mannen in het openbaar waren voor hem nooit een probleem. Daar zit al van verre iets herkenbaars aan, en de hond had nooit de illusie dat ze iets van hem wilden. Maar de nieuwe dwazen, die in het openbaar zonder aanleiding opeens eenzelvig staan te roepen, lachen of praten met een hand aan het hoofd, blijven hem verrassen.

Niet dat-ie er nu nog mee zit. De hond reageert eenvoudigweg niet meer op onverwachts vriendelijke klanken van vreemden. Als het woord wel tot hem gericht is, moet je hem daar nu als verantwoordelijk eigenaar op wijzen. Dan volgt nog wel eens het oude kwispeltje. Maar het min of meer spontane openstaan voor de omgeving is er wel af. Hij is inmiddels zover dat hij alle schijnbaar op hem gerichte woorden van vreemden bij voorbaat toeschrijft aan een gedragsstoring. Als anderen zich buitensluiten, doet hij dat zelf ook maar.