Gratis vermaak

Een terras met een dak heet een café. Een terras zonder uitzicht heet een binnenplaats. Een terras mag dus pas een terras heten als er iets te zien is. Het is dit grote blikveld, waardoor een terras bij elke vorm van dorst – recreatief of meer plichtshalve – de voorkeur geniet boven het café of de binnenplaats. Ergo: als variabelen zoals bediening en keuken als constanten worden beschouwd, bepaalt het uitzicht de kwaliteit van het terras. `Uitzicht' betekent hier behalve `de achtergrond` ook `dat wat gebeurt'. En dan is het laatste element nog belangrijker dan het eerste. Want een statisch panorama kan maar een paar consumpties lang boeien, terwijl de belangstelling voor dynamiek in beginsel geen tax kent. Maar genoeg dorre theorie – voor nu.

Komend van een even zonnige als vergeefse zoektocht naar juist uit het ei gekropen ringslangen in De Bruuk, een moerassig stukje land ten oosten van Groesbeek, was het tijd om aan te leggen bij een nering met volledige vergunning – de boog kan niet altijd gespannen zijn. Aan de noordzijde van Groesbeek, aan het begin van de doorgaande weg naar Nijmegen, ligt ter rechterzijde hotel-restaurant De Wolfsberg. De naam heeft het hotel te danken aan het gerucht dat hier ,,de laatste wolf zou zijn gesignaleerd'', zoals de folder vertelt.

Het is wat je noemt een `familiehotel' dat eigenlijk zijn beste tijd heeft gehad. Het is niet moeilijk voor te stellen hoe in vroeger tijden koetswielen op het grind van dezelfde oprijlaan langs de rododendrons tot aan de dubbele voordeur van het landhuis knerpten. Maar nu behoeft de grauwwitte buitenzijde een likje verf en ook het craquelé in de plafonds van kamers en eetzaal is niet slechts met een enkel tubetje Alabastine te maskeren.

Het is vooral het bijbehorende terras, een strook grind tussen tuin en hotel waarop lukraak wat witte stoelen en tafels staan opgesteld, dat uitermate in de smaak valt. En de reden daarvoor is, de terrastheorie in gedachte, snel te geven: het uitzicht is ronduit fenomenaal en er zal van alles gebeuren. Doordat het hotel bovenop de hoogste heuvel in de dichtbeboste omgeving is gebouwd – het Rijk van Nijmegen – ligt Groesbeek er, met zijn Duits aandoende huizen, onderaan de glooiende grashelling bij als een dorpje op een modelspoorbaan. Een buizerd cirkelt boven het niet-gemaaide hooi om zich in de kruin van een den op een eekhoorn te storten.

Juist als het Warsteiner-bier en de witte wijn – die door mijn gaste bij elk glas steeds harder, tot vervelens toe wordt aangeprezen – op tafel staan, beginnen de details in de tuin te worden ingevuld. Er staan twee tipi's in de tuin, `wigwams' voor de jongere lezers. Rond de tipi's hebben zich twee groepjes van een dozijn man opgesteld, eentje in rode shirts en eentje in blauwe shirts gekleed. Het blijkt hier bij navraag om een soort survival-training te gaan voor bankemployés. In een tijdsbestek van een uurtje doorlopen ze, in vol zicht van het terras, met goed gevolg de onderdelen `katapult maken van fietsbanden' en `zonder heel erge ruzie een klimrek timmeren'.

Soms gaat er iets mis, maar de yell `even applaus voor jezelf' maakt alles weer goed. Een terras met gratis vermaak: we besluiten te blijven slapen.

Als de eerste skippy-ballen halverwege de helling over en weer vliegen, verschijnt er een schuchter strijkje dat vioolkisten uitlaadt en bashoezen openritst. Dan ook druppelt langzaam de familiereünie – altijd een dankbaar schouwspel – het terras op, waarvoor in een serre een buffet wordt klaargezet. Tegen de tijd dat het zigeunertrio plaats heeft gemaakt voor de rockband zijn de survivalcursisten in de tipi's onder zeil gegaan. Het is al tegen de ochtend als de rust op het terras terugkeert.