Dichterlijke gaven

In het begin van de zomer van 1978 brak mijn moeder haar heup en moest ter revalidatie in het `Antonius' aan de Nieuwe Binnenweg worden opgenomen. Aldus begaf ik mij bij mijn wekelijkse bezoek aan Rotterdam niet naar haar woning in het oude Noorden, maar via de Westersingel naar het verpleeghuis in het centrum. Na een paar uur bij haar te hebben doorgebracht, liep ik dan langs dezelfde weg naar het station terug, waarbij ik op een keer de twee woorden ontdekte die met grote krijtletters op de zijmuur van de Pauluskerk waren geschreven: ROT STAD.

Te verbaasd om verontwaardigd te zijn hield ik mijn pas in en keek naar de zich voortspoedende Rotterdammers, die geen van allen lieten blijken dat ze de misplaatste verwensing hadden gezien of zich er iets van schenen aan te trekken. Mij lieten die woorden echter niet los, en nadat ik mij er zeven dagen later van had overtuigd dat zij nog onveranderd de muur ontsierden, stelde ik mij, lichtelijk beschroomd, terzijde van de kerk op.

Daar ik mij nooit eerder aan graffiti had bezondigd, vreesde ik, afgezien van de vermeende misprijzende blikken van de voorbijgangers in mijn rug, elk moment door een surveillerende agent op heterdaad te worden betrapt, terwijl ik met dezelfde forse letters LIEVE STAD boven de eerdere vervloeking schreef. Het was weliswaar een ongewone, enigszins weekhartige betiteling voor een nuchtere werkstad, maar iets anders wilde er niet uit mijn meegebrachte pijp krijt vloeien.

De daaropvolgende week – het was telkens weer spannend meteen na mijn aankomst het stationsplein naar de Westersingel over te steken en op de kerk af te gaan – bleek dat een onbekende derde, die duidelijk het compromis was toegedaan, er ALLEBEI onder had geschreven. Dit zou het laatste zijn, want de rest van de zomer werd de muur ongemoeid gelaten. Zelfs het klimaat had er geen vat op, kon ik wekelijks constateren.

Begin augustus werd mijn moeder, hersteld, uit het `Antonius' ontslagen. Het betekende het einde van mijn boeiende wandelingen naar de Nieuwe Binnenweg, nu ik, zoals ik al tientallen jaren placht te doen, weer van Station Noord aan de Bergweg naar mijn ouderlijk huis aan de Bergselaan liep.

Een maand later werd ik onverwachts aan de Pauluskerk herinnerd toen mijn moeder, die altijd een fanatieke liefde voor haar geboortestad had gekoesterd en hevig met de anonieme discussie op de muur had meegeleefd, mij met een veelbetekenend zwijgen het Rotterdamsch Nieuwsblad van enige dagen geleden overhandigde.

Op de pagina `Rotterdam Centraal' van 20 september stond een foto van de muur met de nog steeds onaangetaste ontboezemingen, die door een vierde, blijkbaar onbekend persoon (de naam van de fotograaf ontbrak) was genomen. Het bijschrift verwees naar de zijgevel van de Pauluskerk aan de Westersingel, waarop zich, zo luidde het commentaar ongeveer, reeds maandenlang een tekst bevond die het karakter van Rotterdam duidelijk weergaf. Ofschoon het bekladden van muren niet mocht worden aangemoedigd, moest een uitzondering worden gemaakt ,,als kinderen zich ontpoppen als ware dichters'': het ene kind had LIEVE STAD geschreven, het tweede ROT STAD, waarna de dichter was gekomen, die het geschil had beslecht met ALLEBEI. De tekst eindigde met de suggestie dat er een glazen plaat voorgezet zou moeten worden ...

Welke dichterlijke gaven er aan de pleitbezorger van ALLEBEI moesten worden toegekend, ontging mij, maar dat LIEVE STAD aan het brein van een kind zou zijn ontsproten deed mij naar de pen grijpen om de redactie van het Rotterdamsch Nieuwsblad te wijzen op dit misverstand, en tevens op de juiste volgorde van de drie hartenkreten. Korte tijd later verscheen de foto nogmaals op dezelfde pagina, met mijn brief erbij en de toevoeging dat een muurschrijver zelden uit de anonimiteit werd gehaald, maar dat het ditmaal aardig genoeg was om een uitzondering te maken.

Natuurlijk is de glazen plaat er nooit gekomen, al zou het wel een origineel beeld van de stad en haar bewoners hebben gegeven, dat uniek in de wereld zou zijn geweest.

Toen ik in 1998 in het Centrum voor Beeldende Kunst de fototentoonstelling Rotterdam voluit opende, die een overzicht van de opbouw van de stad in de jaren vijftig gaf, had ik als toepasselijke anekdote het verhaal van de muur ingelast. Na afloop kwam er een meneer naar mij toe die zich voorstelde als Lex de Herder en die destijds de foto van de zijgevel bleek te hebben gemaakt, waarmee na twintig jaar de cirkel rond was.