De rijke oevers van de Eufraat

Voor de bevolking van Syrië is de rol van olie niet meer weg te denken uit de samenleving. Sinds de ontdekking van de olievelden langs de Eufraat in 1984 zijn miljarden dollars aan opbrengsten en investeringen het land ingestroomd. Multinational Shell heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorzichtige liberalisering van het land.

Als je de loop van de Eufraat volgt dwars door Syrië, merk je snel hoe belangrijk de rivier is. Water is leven, zeker in dit deel van de wereld. Al duizenden jaren zorgt de Eufraat voor een weelderige oase temidden van de Syrische woestijn, compleet met waterbuffels en dadelpalmen.

In Nederland is de Eufraat vooral bekend uit de schoolboeken. De stroom, die de westelijke flank vormde van het tweestromenland, doet denken aan verhalen van vijfduizend jaar geleden over de Babyloniërs en Assyriërs, de machtige Mesopotamische rijken in de vruchtbare sikkel tussen Tigris en Eufraat. Bij de Syrische bevolking roept de naam van de rivier niet alleen herinneringen op aan welvaart uit het verleden, maar ook aan moderne rijkdom. Langs de rivier liggen namelijk enorme olie- en gasvelden en El-Furat – zoals de Eufraat in het Arabisch heet – is de naam van de belangrijkste Syrische joint-venture, de El-Furat Petroleum Co.

Die `moderne Eufraat' moet voor nieuw leven zorgen in de Syrische samenleving. Het Nederlands-Britse olieconcern Shell speelt hierbij een belangrijke rol als `operator' (bedrijfsvoerder) van El-Furat. De staatsoliemaatschappij Syrian Petroleum Company (SPC) heeft een belang van 50 procent in El-Furat, Shell Syria Petroleum Development BV heeft 32 procent en het Duitse bedrijf Veba Öl und Gas 18 procent. Syrië produceert nu dankzij de buitenlandse investeringen en expertise zo'n zeshonderdduizend vaten ruwe olie per dag en een groeiende hoeveelheid aardgas. Ruim zestig procent van de olie wordt naar boven gepompt door El-Furat, zo vertelt de Syrische vice-directeur Hisham Yazigi: ,,De totale productie is nu goed voor zo'n 80 à 100 miljoen gulden per maand. Onze partners Shell en Veba nemen een derde van de exploitatiekosten voor hun rekening. Naast deze grootste producent El-Furat is de Syrian Production Company zelf goed voor 180.000 vaten en het Franse Elf voor zo'n 60.000 vaten per dag.''

Ten noorden van de stad Deir Ezzor zie je op kilometers afstand enorme steekvlammen de lucht in schieten, vanuit een soort reuzentoortsen. De gasfakkels staan temidden van een leger van duizenden `nodding donkeys', de typische, kleine machines die op afstand enige gelijkenis vertonen met balkende ezeltjes. Met slome en koppig volgehouden ritmische draai -en hefbewegingen pompen zij het zwarte goud naar boven.

In de oostelijke provincie waarvan Deir Ezzor de hoofdstad is, stuitte de Syrische dochteronderneming van Shell in 1984 op een olieveld van reusachtige afmetingen, met grote hoeveelheden lichte aardolie. Een vondst die pas plaatshad na een zeer lange exploratiecampagne. Net daarvoor hadden de concurrenten Total en BP hun peperdure zoektocht naar olie (die in Syrië gebeurt op een no cure no pay-basis) opgegeven. Het verhaal van de El-Furat Co. is sindsdien eigenlijk vooral het verhaal van de successen en de groei van de Koninklijke Shell Groep in Syrië.

Sinds de vondst van het oliegebied bij Deir Ezzor heeft Shell al meer dan elf miljard gulden in Syrië geïnvesteerd. En dat is volgens de algemeen directeur van Shell Syria, de Nederlander Robert Weener, in alle opzichten een goede beslissing gebleken. Weener: ,,De productie is sinds 1985 zeer snel gegroeid tot 400.000 vaten per dag in 1990, en dat maakt dat onze investeringen voor beide partijen veel profijt hebben opgeleverd. Syrië is er enorm op vooruitgegaan, de welvaart is toegenomen en de groei van de oliesector heeft voor een flinke verbetering van de levensstandaard van de Syriërs gezorgd.''

Shell huurt voor zijn hoofdkwartier in Syrië de eerste verdieping van het Sham Palace Hotel in het hart van Damascus. In deze stad is Shell een begrip. Voor de Damascenen staan sommige straten dan ook bekend als de Shellstraten. Naar lokale normen heeft het bedrijf een waar imperium uitgebouwd, het lijkt een beetje op een staat in de staat. Het bedrijf heeft 3.000 mensen in dienst in Syrië en de `Shell-people' is een gemeenschap van honderden `expatriates', buitenlandse experts voor wie Shell eigen scholen heeft met onderwijs in het Nederlands en in het Engels. Ook stelt het bedrijf kinderopvang ter beschikking en een sociaal en cultureel centrum.

Shelldirecteur Weener is van kind af aan bekend met het expatleven. Hij ziet zichzelf als een `global nomad'; net zoals de negentig kinderen van de expatriates die in Damascus naar de Shellschool gaan, is hij in het buitenland opgegroeid. ,,Ik ben even naar Nederland getrokken om aan de Universiteit van Groningen te studeren en vervolgens terug naar de `global business'.''

Niet alleen in Damascus is de invloed van Shell merkbaar. El-Furat heeft als ijsbreker gewerkt voor de voorzichtige liberalisering en modernisering van 's lands economie, zo'n twintig jaar geleden ingezet toen de petroleumsector werd opengesteld voor buitenlandse investeerders. Die liberalisering was nodig omdat voor de exploratie en winning van olie en gas de expertise van Westerse bedrijven zoals Shell onontbeerlijk bleek. Voor de samenwerking tussen de Syrische overheid en deze buitenlandse ondernemingen moest een wettelijk kader worden gecreëerd. De wetgeving voor de productiedeling in olie- en gaswinning dateert al van 1980. Pas tien jaar later volgde de zogeheten `Wet op de investeringen nummer tien', die de liberalisering van de andere economische sectoren regelt. Wat in de oliesector gebeurde was met andere woorden een experiment voor de verdere liberalisering van de Syrische economie.

Shelldirecteur Weener is tevreden over de voor zijn bedrijf geldende wetgeving: `Dankzij die production sharing-wetgeving kunnen wij vrij dollars in- en uitvoeren en dat geldt ook voor de winst. Wij werken hier dus net zo vrij als in Nederland. Met `Wet nummer tien' is de liberalisering van de economie onmiddellijk na de Golfoorlog in 1991 algemeen doorgevoerd. Dat heeft meteen geleid tot een toename van het bruto nationaal product met 7 procent per jaar.

De basis daarvoor was gelegd door het succes van privatisering in de oliesector. Dat succes heeft niet alleen de weg geëffend, maar vooral ook het kapitaal gegenereerd dat nodig is voor de herstructurering en de modernisering.''

De tevredenheid van Weener wordt niet door iedereen gedeeld. Zowel binnen- als buitenlandse analisten vinden dat de huidige economische hervormingen niet volstaan. De liberalisering gaat volgens hen veel te traag en alhoewel er al minder corruptie is, blijven serieuze herstructureringsmaatregelen uit. ,,Wij opereren hier vlot, maar dat is nog niet het geval voor de overige sectoren, die onder de `Wet nummer 10' moeten werken. De bedrijven in die sectoren blijven vechten tegen windmolens, door tegenstrijdigheden met andere wetten'', geeft Weener toe.

De Socialistische en Arabische Republiek Syrië wordt nu al bijna dertig jaar geregeerd door president Hafez el-Assad en de Baathpartij. Dat is niet altijd zonder problemen gegaan. In 1982 kwamen bij de onderdrukking van een opstand van fundamentalistische sunnieten tegen het bewind van de alawitische minderheid rond Assad in de stad Hama naar schatting twintigduizend mensen om het leven. De sunnitische moslims vormen in Syrië een ruime meerderheid, terwijl de alawieten amper elf procent van de bevolking uitmaken. Sterke man Assad is onder meer om die reden beducht voor alles wat naar politieke instabiliteit ruikt.

Syrië zat in de invloedssfeer van de voormalige Sovjet-Unie, waardoor het land dertig jaar lang volledig geïsoleerd was van de buitenwereld. Syrië staat op de lijst van landen die terrorisme steunen en heeft een zeer slechte reputatie op het gebied van de mensenrechten. Daarbij komt nog dat investeren in Syrië zowel voor de Syriërs in het buitenland als voor de buitenlandse bedrijven botste op de socialistische retoriek en de totale controle door de staat, lees de Assads en hun vrienden. Ook is het Syrische bankwezen totaal verouderd en is het bijzonder moeilijk om geld te lenen. Beschikbare kredieten gaan meestal op aan consumptiegoederen, onder meer ingevoerde personenwagens, die vreselijk zwaar belast worden.

Assad wil de dingen graag houden zoals ze zijn, maar dat kan in het onrustige en strategisch belangrijke Midden-Oosten niet langer. Tijdens de oorlog tegen Irak koos Assad voor de alliantie tegen Saddam Hussein, maar de nieuwe wereldorde bevalt de Syrische leiders eigenlijk niet en het Oslo-vredesproces ook al niet. De enige overblijvende supermacht staat te duidelijk aan de kant van de vijand Israel. Internationaal is Assad in het defensief gedrukt, mede door de Turks-Israelische alliantie die een directe militaire dreiging vormt voor Syrië.

Noodgedwongen kijken de Syriërs nu verder vooruit. Ooit komt er vrede in deze regio en dan is het zaak om over een goede economische infrastructuur te beschikken. Voor de Syrische leider kwamen de olievondsten van 1984 als een geschenk van de goden. De vraag is echter of die olie-inkomsten volstaan om Syrië probleemloos de eenentwintigste eeuw in te loodsen. Hoewel de exploratie ook in de jaren daarna is voortgezet, zijn er recent geen nieuwe olievelden meer ontdekt. Experts voorspellen dat er weliswaar nog grote reserves zijn, maar dat het vooral om gas zou gaan en niet om olie. Zij denken dat Syrië over een jaar of tien opnieuw olie zal moeten invoeren.

Tegen de sombere voorspellingen in blijven de Syrische leiders hopen op nieuwe olievondsten. Gezien de demografische ontwikkeling hebben zij ook geen andere keuze. De bevolking groeit adembenemend snel met 3 à 4 procent per jaar, en de werkloosheid neemt even snel toe. Om een crisissituatie te voorkomen moet de economie zeer snel groeien.

Dat is de belangrijkste bekommernis voor Assad. Hij wil aan de macht blijven en de ontwikkeling van zijn land volledig onder controle houden, terwijl hij ook in de regio een hoofdrol wil blijven spelen. De liberalisering zal bij president Assad dus zeer geleidelijk verlopen.

Assad zou een nieuwe olie-opsteker goed kunnen gebruiken. Maar het is zeer de vraag of die er komt. Vorig jaar stond de oliemarkt onder zeer hoge druk als gevolg van de scherp dalende olieprijzen. Westerse petroleumbedrijven waren daardoor geneigd tot inkrimping van hun dure exploratieprogramma's. Shell bleek een uitzondering: het concern kreeg vorig jaar opnieuw twee concessies van de Syrische overheid voor exploratieboringen.