De passie voor kunst ging voor de handel

Na een roemrijk bestaan van ruim zeventig jaar in een monumentaal pand aan het Amsterdamse Rokin, verhuisde kunsthandel E.J. van Wisselingh & Co in 1983 naar een gesloten huis in Valkeveen. Daarmee begon niet alleen het einde van een vooraanstaande kunsthandel, ook de culturele aftakeling van het Rokin werd ingezet.

Nog dit jaar zal de neergang van de eens zo stijlvolle boulevard het dieptepunt hebben bereikt. Eind 1998 vertrok het legendarische prenten-antiquariaat Bernhard Houthakker van het Rokin en komende herfst verhuist het veilinghuis Sotheby's naar de op Schiphol gerichte Zuidas. Evenals indertijd Van Wisselingh, zijn Houthakker en Sotheby's op de vlucht geslagen voor de rampzalige verkeerssituatie in de Amsterdamse binnenstad, de torenhoge huurprijzen en de algehele vercommercialisering die werkelijke grandeur genadeloos afstraft.

Van de drie nagenoeg naburige gebouwen in het hart van het Rokin werden er twee door architect C.B. Posthumus Meyes ontworpen, het voormalig Leesmuseum (1904) waarin Sotheby's nu nog een paar maanden huist – volgende huurder is een Amerikaanse firma in kostbare vrijetijdskleding – en het gebouw dat op twee tegeltableaus in de gevel nog steeds het opschrift `E.J. van Wisselingh & Co' draagt met de toevoeging Fine Art Gallery. Het monumentale pand dateert uit 1911 en de bedrijfs-aanduiding is in de Engelse taal omdat kunsthandel E.J. Van Wisselingh tot 1916 ook in Londen resideerde.

Eigenlijk zou de tentoonstelling Kunst kennis en commercie, de kunsthandel Van Wisselingh niet in het Rijksmuseum, maar in de oude expositiezalen achter de statige gevel van Rokin 78-80 te zien moeten zijn. Het oorspronkelijke interieur, dat ook uit 1911 dateert, is in grote trekken nog intact en is even sprekend voor de geschiedenis van Van Wisselingh als de in dit huis verhandelde schilderijen, aquarellen en prenten van Matthijs Maris, Bauer, Breitner, Witsen, De Zwart en de buitenlanders Corot, Courbet, Daumier, Daubigny, Monticelli en Fantin-Latour. Deze handelswaar vormt het zwaartepunt van het eerste gedeelte van de expositie. Bij alle werken staan de prijzen van aan- en verkoop vermeld, wat bij de bezoeker een opgewonden veilinggevoel teweegbrengt.

Uit de bedragen blijkt dat van overdreven winstmarges nooit sprake was. Wat wel verbazing wekt zijn de enorme prijzen die in het begin van deze eeuw voor werk van bepaalde kunstenaars werden betaald. Een klein, onbeduidend schilderij van Matthijs Maris, Souvenir d'Amsterdam, werd in 1905 voor 30.200 gulden verkocht aan de Haagse boekhandelaar en kunstverzamelaar W.J. van Randwijk, vaste klant bij Van Wisselingh. Zelf had Maris het doekje afgedaan als een potboiler, `een pottenkoker. Die dingen zijn niet van mij. Ik had het gemaakt, maar geheel tegen beter weten in, om het centje.' Misschien wel het mooiste schilderijtje van de collectie, het paneeltje Aan het strand (ca. 1885) van de betrekkelijk onbekend gebleven kunstenaar Willem de Zwart, kocht de toenmalige directeur van Van Wisselingh, P.C. Eilers, in 1903 voor 165 gulden.

De meest opmerkelijk gang heeft de krijttekening De drie bruiden van Jan Toorop gemaakt. In het jaar van ontstaan, 1893, werd de tekening door Van Wisselingh aangekocht voor 1300 gulden. Het blad was vervolgens gedoemd als `winkeldochter' door het leven te gaan. In 1909 kocht Freiherr Von der Heydt het voor 1970 gulden. Tien jaar later werd de tekening eigendom van mevrouw Kröller-Müller en nu behoort het pathetische, zoetgevooisde werk met de anorexia-nimfen in Museum Kröller-Müller tot een van de topstukken van Toorops symbolistische tijd.

Het tweede gedeelte van de tentoonstelling is gewijd aan de toegepaste kunst die aan het einde van de negentiende eeuw een hoge vlucht nam. Nooit werden boekbanden, diploma-oorkondes en kalenderbladen eleganter versierd dan in deze tijd. Ook de kunstig ontworpen creaties afkomstig uit `de werkplaats' van Van Wisselingh hebben in het prentenkabinet van het Rijksmuseum een plaats gekregen. De rond de eeuwwisseling opgerichte werkplaats werd bemand door de ontwerpers Th. Nieuwenhuis, G.W. Dijsselhof en Lion Cachet. `Uitgangspunt van de werkplaats van E.J. van Wissellingh & Co was dat het drietal naar hartelust zou kunnen experimenteren en hun artistieke impulsen gestalte geven', schrijven J.F. Heijbroek en E.L. Wouthuysen in het aantrekkelijke boek Portret van een kunsthandel dat naar aanleiding van de tentoonstelling verscheen. `De nadruk lag vooral op de degelijkheid van het materiaal, zowel in constructief als in materieel opzicht. [...] Volgens Nieuwenhuis, die de dagelijkse leiding van de werkplaats op zich had genomen, bestonden de werkzaamheden in het begin vooral uit het maken van meubelen en betimmeringen met of zonder gebeeldhouwde ornamenten of figuren, het vervaardigen van objecten in koper en andere metalen, en het batikken.'

De inrichting van de vestiging aan het Rokin van Van Wisselingh in 1911 is, vergeleken bij andere interieurs afkomstig van de werkplaats, tamelijk sober. De lambriseringen en deuren van massief ebben- en palissanderhout, de plafonds van verguld perkament met op alle verdiepingen koperen, druppelvormige plafonnières, de donkere houten trappartijen, het aandoenlijke, prehistorische liftje, de glas-in-lood ramen, dit alles is negentig jaar later nog steeds intact en gelukkig tot monument verklaard. Alleen de rood fluwelen wandbespanningen hebben plaatsgemaakt voor neutrale witte muren en de deftige directiekamer op de tweede verdieping is veranderd in een nuchtere pantry van een cateringbedrijf.

De zalen van de voormalige kunsthandel zijn tegenwoordig het domein van partycentrum Park Plaza. Hier recipieert en dineert men, dat laatste helaas niet meer op de oorspronkelijke stoelen naar ontwerp van Dijsselhof. Gedanst wordt in het aangrenzende kerkgebouw (1912, ook ontworpen door C.B. Posthumus Meyes) dat van hervormde origine is en in open verbinding staat met het historische onderkomen van de vroegere kunsthandel. Hier aan het Rokin is het vrijwel elke avond feest.

Ondanks de witte muren waarop dertien-in-een-dozijn litho's van Corneille hangen, is de gedistingeerde stijl die Van Wisselingh tot het einde toe aan het Rokin voerde, nog voelbaar in het interieur aanwezig. Deze met geschiedenis beladen stemming kan de tentoonstelling in het Rijksmuseum helaas niet bieden. Het is een heldere, wat informatie betreft goed gedoseerde presentatie, mede dankzij het compleet bewaard gebleven bedrijfsarchief wat uniek is in de historie van de kunsthandel. Teksten, documenten, kasboeken, notitieblokjes, brieven en foto's vertellen, naast de kunstwerken, de geschiedenis van de vermaarde kunsthandel die altijd naar gentleman dealer Elbert Jan van Wisselingh (1848-1912) is blijven heten. De zeer kunstzinnige E.J. leerde het vak tussen 1866 en 1874 in Parijs bij kunsthandel Goupil. In deze jaren werkte ook Vincent van Gogh bij Goupil en hij achtte E.J. te zachtaardig voor de kunsthandel. Aan zijn broer Theo schreef hij: `Ik heb veel respect voor Wisselingh [...] doch ik zou zelfs nu nog tot hem willen zeggen: kerel, word nog schilder. Gij zijt veel te eerlijk voor de tegenwoordige kunsthandel, veel te knap.'

Passie voor de kunst boven die voor de handel heeft E.J. van Wisselingh & Co altijd gekenmerkt. Sommige kunstenaars kregen zelfs een vast maandinkomen om rustig te kunnen werken, zoals Marius Bauer, Breitner, Willem Witsen en Willem de Zwart. Bauer was financieel de meest succesvolle kunstenaar voor Van Wisselingh. Hij maakte reizen naar het verre oosten die door W&C werden betaald en zijn prenten van Constantinopel, Istanbul en later van Nederlands Indië werden in aanmerkelijke oplagen geproduceerd en verkocht door boekhandel Scheltema en Holkema. Boekhandel en uitgeverij waren gevestigd in het pand naast Van Wisselingh op het Rokin en bovendien al in 1911 met de kunsthandel gefuseerd. Zo afkerig van handelsgeest was men aan het Rokin nou ook weer niet.

Kunst, kennis en commercie - de Kunsthandel Van Wisselingh, tot 3 oktober in het Rijksmuseum Amsterdam. Publicatie: 256 pag. Prijs: ƒ49,50.