Voorlopig sluitstuk

HET SLUITSTUK van een lange ontwikkeling. Zo luidt de karakteristiek die het kabinet geeft van zijn wetsvoorstel tot erkenning van zorgvuldige euthanasie door een arts. Dat is niet te veel gezegd. Euthanasie behoort van oudsher tot de zwaarste categorie misdrijven in het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling is gaan wringen met de medische ontwikkeling. Die weet steeds meer leven te verlengen, maar kan tegelijk in de weg staan aan een barmhartig levenseinde. Er is bovendien een autonome ontwikkeling van opvattingen over het individuele zelfbeschikkingsrecht van ieder mens om zichzelf bepaalde dingen zoals onttakeling te besparen.

De Hoge Raad heeft in 1984 een moedige strafrechtelijke uitzondering voor de zorgvuldig handelende arts gemaakt. Deze was gebaseerd op het begrip `overmacht'. Deze term accentueert het karakter van euthanasie als een uiterste noodmaatregel. Hieraan kan vanuit maatschappelijk oogpunt niet genoeg belang worden gehecht. Wee de samenleving waarin euthanasie ,,gewoon'' wordt. Overmacht biedt echter slechts een beperkte juridische zekerheid aan hulpverleners en hulpverzoekers in toch al buitengewoon moeilijke omstandigheden.

De wetgever kan dit vraagstuk niet blijvend overlaten aan de rechter, al heeft dit lang – mede onder confessionele coalitiedruk – de enige uitweg geleken. De rechterlijke oplossing is internationaal gezien al een vergaande stap, al kan iedereen bevroeden dat de praktijk, zonodig in het verborgene, haar eigen wegen zoekt. Alle begrip van de justitie neemt niet weg dat ook in Nederland sommige medici van opvatting blijven dat een milde dood behoort tot de strikte vertrouwensrelatie met de patiënt.

DE DOELSTELLING van de nieuwe wet is niet in de laatste plaats de toetsbaarheid van verborgen medisch handelen te vergroten. Daarbij kan het kabinet aanknopen bij solide maatstaven die door de rechter zijn ontwikkeld. Deze zijn gevolgd door procedureregels, maar nu wordt het Wetboek van Strafrecht zelf aangepast. In die zin is de nieuwe wet inderdaad een principieel sluitstuk. Een eind aan alle vragen vormt zij niet. Strafrechtelijk gezien blijft de bewijslast bij de arts om aannemelijk te maken dat hij zorgvuldig heeft gehandeld, in plaats van dat de officier van justitie moet aantonen dat hij onzorgvuldig is geweest. Voor deze verdeling van de bewijslast valt principieel iets te zeggen, maar zij werpt wel een schaduw over de beoogde meldingsbereidheid van de medici. Het kabinet probeert daaraan tegemoet te komen door een toetsingscommissie als zeef tussen arts en justitie te plaatsen. Deze geeft de aangemelde zaken alleen door aan de justitie als zij niet is overtuigd van de zorgvuldigheid van de arts. Dat valt niet eenvoudig te rijmen met de zelfstandige bevoegdheid van de officier van justitie een eigen onderzoek in te stellen. De vraag is al direct hoe de regionale commissies eenzelfde lijn moeten trekken.

OPEN VOOR discussie staat ook de voorafgaande schriftelijke wilsverklaring. Deze krijgt op advies van de Raad van State een wettelijke status. De vraag blijft wat dit betekent wanneer het er werkelijk op aankomt. Sommige mensen zien zo'n voorafgaande verklaring als een verzekering tegen een ongewenste geestelijke aftakeling – een juridische versie van de zogeheten ,,pil van Drion''. Wanneer dementie werkelijk intreedt, kan een eerder ondertekend document in de woorden van het kabinet echter niet meer zijn dan een ,,richtsnoer'' voor de arts. De vrije wil van de ondertekenaar – die terecht centraal staat in het wetsvoorstel – is dan immers aangetast. De verklaring kan nog zo stellig zijn, maar op het beslissende moment is een hulpverlener nodig – en die heeft zijn eigen afweging.

Het wilsvraagstuk speelt helemaal een gevoelige rol bij euthanasie voor kinderen. Alweer op advies van de Raad van State maakt het wetsvoorstel plaats voor het zelfbeschikkingsrecht van kinderen die, zoals dat heet, ,,oordeel des onderscheids hebben''. Dat sluit aan bij een algemene trend in het gezondheidsrecht. Uitzichtloos lijden is niet voorbehouden aan leeftijd. Tegelijk is er een terecht onbehagen over het terzijde schuiven door de arts van ouders van kinderen jonger dan zestien bij conflictsituaties. De nieuwe wet bezigt sterke termen om aan te duiden dat het om een uitzonderingssituatie gaat. De medische praktijk laat echter weten dat deze zich nooit voordoet. Het is dan ook de vraag waarom een toch al moeilijke politieke discussie met dit extra probleem moet worden belast.