Teatro educativo!

Jongeren en allochtonen moeten meer bij theater en muziek worden betrokken, dicteert een nieuwe cultuurnota. Want de kunsten zijn blind voor de realiteit in onze samenleving. Beroering alom. Waaraan ontleent de overheid het recht criteria aan theatermakers en musici op te leggen en zelfs in te grijpen als daaraan niet wordt voldaan?

De discussie doet me denken aan een voorval in Mexico, waar men dergelijke problemen rigoureuzer aanpakt. Ik was met zeven acteurs vertrokken naar een stadje aan de rivier in de tropische kuststreek langs de Golf van Mexico. Interviews met bewoners zouden uitgangspunt zijn voor voorstellingen op straat. We hadden toestemming van de burgemeester nodig. ,,Teatro educativo!'', viste hij uit ons verhaal op. Dat was de vlag die de lading moest dekken. We kregen een stempel op onze licentie en er ging een kopie naar de politie.

`Parel van de rivierdelta' noemde men de plaats wegens de koloniale bouw, de roerloze palmen langs de kade en de witte koepels van kerken in het zinderende licht. ,,Een decente stad'', zei de dokter die daarmee onze vraag naar het verstrekken van voorbehoedsmiddelen pareerde.

Het kostte niettemin moeite onze aanwezigheid in de kleine gemeenschap te rechtvaardigen. Wie waren deze vreemdelingen onder aanvoering van een buitenlandse maestro? We besloten op de kleuterschool te beginnen. Misschien wonnen we het vertrouwen van de ouders. We speelden het alfabet, sprookjes en dierenfabels. We stapten over naar de lagere school. Verbeeldden hoogtepunten uit de Mexicaanse geschiedenis. Op de middelbare school begonnen we voorzichtig met scènes over problemen van pubers.

Maar de winter deed zijn intrede. Veegde hitte en stof uit de straten. Het begon te regenen. Het rivierwater steeg. Trad buiten de oevers. Drong iedere dag als een sluipende ziekte verder de straten in. De noodtoestand werd afgekondigd. Het leger verscheen met helikopters en amfibievoertuigen. De rivier was een onafzienbare stroom die met somber geweld alles dat geveld was mee naar zee sleurde.

Tegen kerst was het water gezakt. We begonnen opnieuw. We besloten met kinderen een kerstspel te maken, een feeëriek tafereel, de grootste hufters als lammeren vermomd of tot koningen gekroond en de meisjes als Maria en haar engelen, met rode lippen en gitzwarte ogen, mooier dan ze ooit nog konden worden.

Voor volwassenen speelden we een parabel over werkloosheid, een act over uitbuiting van kinderen, een scène over het gedrag van de politie, over falende bestrijding van malaria, over corruptie van ambtenaren, over vervuiling van de rivier.

`Otra! Nog één!', riep een jongen na afloop. `Otra', riepen anderen enthousiast. We gaven een toegift. `Otra!' Er vloog een bierblikje in onze richting om de eis kracht bij te zetten. `Otra, otra!', klonk het toen we te kennen gaven dat het afgelopen was. Bierblikjes volgden. `Otra, otra ..!' scandeerde men. We moesten het veld ruimen onder een regen van blikjes, flessen, stenen...

We speelden op de markt, in de arme wijken aan de rand van de stad, overal waar publiek te verzamelen viel. Maar we vermeden onbewust de Plaza in het centrum met het politiebureau, het gemeentehuis en de twee katholieke kerken. Een enkeling hief al waarschuwend de vinger.

Maar ten slotte was het zover. Op zondagavond.

We waren een kwartier bezig – ruim vierhonderd mensen stonden in een halve cirkel om ons heen – toen twintig met karabijnen gewapende agenten door het publiek heen op `de scène' verschenen. Er viel een ijzige stilte.

,,Wilt u ons volgen'', vroeg de commandant aan de acteurs.

Wie volgt een agent naar het politiebureau, tenzij om vernederd, geslagen, beroofd of verkracht te worden?

,,Nee, Señor Comandante, we hebben toestemming hier te spelen. U bent daarover ingelicht.''

,,Mij is niets bekend.''

Er zat niets anders op dan het bewijs thuis te gaan halen.

Het publiek wachtte. De stilte was uitdagend. Minuten verstreken. De karabijnen waren geladen. De commandant gespannen. Het kon nog een incident worden dat de kranten niet haalt: enkele doden en gewonden, een misverstand.

De agenten voelden zich opgelaten. Het publiek wachtte, wachtte af. Het leek een val.

,,Het duurt te lang. Komen jullie mee!''

,,Nee, Señor Comandante.''

,,Het is een bevel!''

Het publiek was een gesloten, zwijgende muur. Het zou ons er niet doorlaten. Als bij een impasse in een hanengevecht wachtte het af tot we, van onze verbijstering bekomen, opnieuw de veren zouden opzetten.

Een acteur kwam terug met het papier. Het trilde in zijn hand. De commandant nam het aan, `las' het – als een grap uit de commedia dell' arte – op zijn kop. Een agent draaide het voor hem om. Er ging een hoongelach op uit het publiek. De agenten bliezen de aftocht. Er zat niets anders op. Het stuk werd hervat. In een sfeer van clandestiniteit.

Iemand tikte mij op de rug. Ik keek in de bloeddoorlopen ogen van de commandant. Was hij misschien dronken?

,,Bent u de maestro?''

Ik knikte. Even vreesde ik dat hij een discussie wilde aangaan over de invulling van `teatro educativo'. Maar hij vertrok zonder te zeggen wat hij dacht: `Dan weten we u wel te vinden.'

De kerkklok sloeg half twaalf. Ik wist wat me te doen stond en pakte de volgende dag mijn koffers.

    • Rense Royaards