Roadmovie met honderd locaties

Kijken en bekeken worden, er is geen film die niet ook daarover gaat. En soms wordt je als toeschouwer betrapt. Door een acteur die even de camera inkijkt, steels of provocerend. Of omdat je beseft dat wat je zo raakt niets anders dan de projectie van je eigen gevoel is. Daarom zijn de filmbeelden die voorafgaand aan de openluchtvoorstellingen op de Piazza Grande tijdens het Filmfestival van Locarno op het metershoge doek te zien zijn, zo'n veelzeggende afspiegeling van het filmfestival zelf. Elke avond richt een cameraman namelijk zijn camera een kwartier lang op het publiek. De eerste avond nog discreet, en groot was de verrassing van diegenen die zichzelf `in de film' herkenden. Maar hij wordt steeds brutaler, zoekt, staat stil, keert terug, zoomt in, houdt het beeld vast. Mensen duiken gegeneerd achter de toeschouwer voor hen, die opzij buigt of iets fictiefs van de grond opraapt. Anderen gaan er voor zitten, zuigen hun wangen in en kijken dromerig in de verte. Naar een film die nog moet beginnen.

De ruim 7000 mensen op het plein kregen zondagavond gezelschap van minstens even grote mensenmassa's op het doek tegenover hen. In zijn documentaire Fengkuang Yingyu (Crazy English) portretteerde de Chinese filmmaker Zhang Yuan (East Palace, West Palace) een leraar Engels die zich als een ware volksmenner ten doel heeft gesteld zo veel mogelijk Chinezen Engels te leren, zodat zij kunnen concurreren met de hele wereld. In stadions, op braakliggende bouwterreinen en zelfs bovenop de Chinese Muur leert hij grote groepen toehoorders om zich brullend in het Engels verstaanbaar te maken. Het is een fantastisch gezicht, het is bijna ongeloofwaardig hoe 40.000 scholieren met z'n allen kreten leren schreeuwen als `No pain, no gain' of `I hope you enjoy your stay'. Via de hilariteit van dergelijke taferelen, verschuift Zhangs aandacht bijna geruisloos naar een politieke, onderliggende laag: niet alleen stelt hij de massaliteit van de Chinese cultuur aan de kaak, ook laat hij iets zien van het gemak waarmee mensen roepen wat leiders hen voorzeggen.

Fengkuang Yingyu opende de `Semaine de la critique', een bijprogramma van zeven documentaires van het filmfestival dat dit jaar zijn tiende editie beleeft en met nog te verwachten nonfictiefilms van Richard Dindo (Genet à Chatila) en Frederick Wiseman (Belfast, Maine) een sterke indruk maakt.

Met het uitreiken van twee ere-Luipaarden (aan de Zwitser Daniel Schmidt en de Fransman Gérard Blain) nadert het festival langzamerhand z'n einde. Van Schmidt werd een weemoedig Beresina, oder die letzten Tage der Schweiz vertoont, van Blain draait Ainsi soit-il in competitie, al is die laatste film over rouwverwerking binnen een stijf Frans bourgeois gezin zelfs uit formalistisch oogpunt nauwelijks meer interessant te noemen. Blain beroept zich voor zijn zorgvuldige cinematografische uitpluizen van situaties op Bresson, maar vergeet dat je wel iets substantieels in handen moet hebben om te kunnen ontrafelen. Dan heeft een competitiefilm als The Dream Catcher van de Amerikaanse onafhankelijke filmmaker Ed Radtke meer recht om binnen de festivalprogrammering op te vallen. Radtke's roadmovie waarin twee buddy's tegen wil en dank (helemaal volgens het boekje dus) op zoek gaan naar hun respectievelijke ouders, mag dan psychologisch niet helemaal bevredigen en ook wat het verhaal betreft nauwelijks iets nieuws te bieden hebben, de manier waarop hij dat als nieuw weet te presenteren, overtuigt wel. Mede door de verzorgde fotografie en het feit dat de voor een ultralaag budget gedraaide film zich op ruim honderd locaties afspeelt, in zo'n veertig verschillende voertuigen en tientallen sprekende rollen kent. Voor dit soort talenten bieden filmfestivals een veilige omgeving om volwassen te worden en dan met een derde of vierde film naar het bioscoopcircuit door te breken.