Marktmacht bepaalt beloning topmanager

Topmanagers gingen er vorig jaar bijna acht procent in salaris op vooruit en de CAO-lonen maar drie procent. Het is een vergelijking van appels en peren, vindt Menno Tamminga.

Bestaat er echt een internationale transfermarkt voor topmanagers? En zijn die ondernemers in Nederland zo schaars – zoals werkgeversorganisatie VNO-NCW beweert – dat hun totale beloning vorig jaar met bijna acht procent is gestegen, zoals de Volkskrant heeft becijferd, terwijl de CAO-lonen nog niet met drie procent omhooggingen?

De discussie over de salarissen van topmanagers en andere werknemers wordt belemmerd door twee misvattingen. De transfermarkt bestaat niet en de vergelijking tussen CAO-lonen en managersbeloning gaat bij voorbaat mank.

Eerst de loonstijgingen. De gegevens uit het bewonderenswaardige monnikenwerk van de Volkskrant hebben weinig relatie met de statistische wereld van de CAO-lonen. De CAO is het resultaat van onderhandelingen van werkgevers en werknemers, maar die cijfers zeggen niets over individuele inkomsten van werknemers. Individuele loonstijgingen omvatten ook elementen als extra periodieken en winstuitkeringen, maar die vallen buiten de statistieken. De krapte op de arbeidsmarkt komt mede tot uiting in zulke extraatjes.

In de beloning van de managers die in jaarverslagen moet worden vermeld zijn alle loonelementen opgenomen: de pensioenpremie (die zal grosso modo niet veel stijgen), de onkostenvergoedingen (zit ook weinig beweging in) en de bonussen en tantièmes die aan de winst of het dividend van een bedrijf zijn gekoppeld. Gezien de winstgroei van veel bedrijven verdienen managers daar goed aan.

Om de inkomensrelaties nog eens extra te compliceren: bij een bedrijf als Philips is de winstbonus van de raad van bestuur, die in het jaarverslag over 1998 staat, de beloning voor de winst van het jaar daarvoor. Dat klinkt raar, die vertraging, maar zo doen ze dat in Amsterdam.

Dan de transfermarkt. Zo nu en dan stappen buitenlandse topmanagers over naar Nederlandse bedrijven en zo nu en dan vinden Nederlanders een topbaan in het buitenlandse bedrijfsleven, maar veel transfers zijn er niet. Onder de 25 bedrijven in de toonaangevende beursgraadmeter AEX-index zijn er twee met een buitenlandse roerganger: bij Elsevier en Baan. Beide zijn uitzonderingen: internationale bedrijven die een internationale crisismanager zochten.

In verschillende segmenten van de Nederlandse arbeidsmarkt heerst schaarste, onder huisartsen, leraren, en verplegend personeel, maar daar stijgen de lonen helemaal niet zo hard als bij de topmanagers. Onevenwichtigheid tussen de vraag naar en aanbod van personeel heeft op die markten weinig effect op de lonen, wel op wachtlijsten en arbeidstijden. Het schaarse personeel heeft, om allerlei redenen, onvoldoende onderhandelingsmacht om de markt (lees: de werkgevers) zijn wil op de leggen en prijsstijgingen voor hun werk te forceren.

Dat is het grote verschil met de `markt' voor topmanagers. Zij hebben wel marktmacht. Zij zijn baas en werknemer tezamen. Als bestuurders in hun eigen onderneming beslissen zij over de salarissen van het tweede echelon. Als commissaris in andere ondernemingen beslissen zij over de beloningen van collega-topondernemers in andere ondernemingen die, nu of later, als commissaris weer hun baas kunnen zijn of worden. De salarisvergelijkingen van internationale bureaus die als argument voor salarisverhogingen worden aangevoerd, zijn het resultaat van deze marktverhoudingen. De meeste managers zijn me too-mensen. Waarom geen salarisverhoging bedingen als de concurrent dat ook kan?

De publieke opwinding over de salarisstijging van topmanagers illustreert het latente ongenoegen over ,,zelfverrijking van de fat cats'', die eerder naar voren kwam in de discussie over de aandelenopties van managers. De animositeit daarover is `opgelost' met wat meer openheid van bedrijven en fiscale verzwaring, die vervolgens – naar oud-Hollands model – weer leidt tot legitieme trucs om belasting te ontwijken of te minimaliseren.

Een recent rapport van het onderzoekscentrum CentER van de Katholieke Universiteit Brabant laat echter zien dat Nederlandse bedrijven en regelgevers massaal falen in de juiste verwerking van de kosten van de opties in jaarverslagen. Zij tellen de optiekosten niet als arbeidskosten die ten laste van de winstgevendheid gaan, maar werken het weg in het bedrijfsvermogen.

De onmacht en onwil om de optiekosten zichtbaar te maken, geldt evenzo voor de salarissen. De werkgevers zijn steeds mordicus tegen individuele openheid geweest en hebben geen verweer tegen becijferingen als de Volkskrant heeft gemaakt. Om het poldermodel te redden hebben zij vervolgens de vakbeweging nodig, die in het algemeen belang aan loonmatiging wil vasthouden, mits VNO-NCW nu echt zijn leden beteugelt.

Of geloven de spraakmakende VNO-NCW-leden `het poldermodel' wel? Nederlandse bedrijven expanderen op ongekende schaal door buitenlandse fusies en overnames, terwijl buitenlandse bedrijven hier traditionele industrieën opkopen. Voor de ene groep wordt Nederland economisch steeds minder relevant, voor de andere is het poldermodel wezensvreemd.

Morele verontwaardiging bij de vakbeweging over de financiële resultaten van de marktmacht van de mondiale managers is een goede uitlaatklep voor opgekropt ongenoegen. Het raakt de topmanagers echter minder dan vroeger en versterkt de eigen marktmacht van de werknemers op geen enkele manier.

Menno Tamminga is redacteur van NRC Handelsblad.