`Doodziek kind kan zelf beslissen'

Volgens artsen is het kabinetsvoorstel voor de nieuwe euthanasiewet minder revolutionair dan het lijkt.

`De behoefte om alles te regelen, ook wat niet geregeld hoeft te worden.' Zo betitelt kinderarts P.A. Voûte van het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam het artikel in het wetsvoorstel voor de nieuwe euthanasiewet dat bepaalt dat kinderen van twaalf tot zestien jaar zelf mogen bepalen wanneer zij hun leven willen beëindigen. Artsen mogen aan die wens gehoor geven, ook als de ouders er anders over denken.

Voûte, die eind jaren tachtig in opspraak kwam door de verstrekking van een `euthanasiepil' aan ongeneeslijk zieke jongeren, is een groot voorstander van zelfbeschikkingsrecht voor kinderen. In de praktijk zijn hierover volgens hem nooit conflicten tussen ouders en kind. ,,Ernstig zieke kinderen die dit recht willen uitoefenen bespreken dat met hun ouders.''

Door aparte regels op te nemen voor kinderen van twaalf tot achttien jaar, heeft het kabinet het advies van de Raad van State gevolgd en het voorstel voor de nieuwe euthanasiewet afgestemd op de andere wetgeving binnen de gezondheidszorg. Zo schrijft de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) artsen ook voor aan kinderen van twaalf tot zestien jaar èn hun ouders toestemming voor een behandeling te vragen. Een kind kan daarbij — net als in de euthanasiewet — in het uiterste geval tegen de wens van zijn ouders ingaan. De arts mag hierin meegaan als het kind ernstig nadeel zou ondervinden wanneer de wens van de ouders zou worden gevolgd. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de ouders om godsdienstige redenen vinden dat een behandeling achterwege moet blijven en het kind die wel wil ondergaan. Of omgekeerd: ouders willen blijven doorbehandelen in een uitzichtloze situatie en het kind vindt dat het genoeg is geweest.

Voor medici is het ook nu al niet ongebruikelijk de beslissing over het sterven over te laten aan het kind. ,,Je moet wel beseffen om wat voor kinderen het gaat'', zegt kinderarts R.A. Holl. ,,Kinderen met een zeer ernstige aandoening die donders goed weten dat ze geen kans hebben. Het niveau waarop je met hen praat is vergelijkbaar met dat van volwassenen.'' Een kinderarts zal volgens Holl ,,niet snel'' iets doen wat tegen de wens van de ouders in gaat. Zelf heeft hij het nog niet meegemaakt. ,,Je probeert altijd consensus te vinden.'' Het wetsvoorstel heeft volgens hem betrekking op een zeer kleine groep kinderen die lijdt aan (ongeneeslijke vormen van) kanker of taaislijmziekte. ,,Euthanasie moet je meer zien als een vorm van overlijden van een kind dat toch zal overlijden.''

De wet laat echter ook ruimte voor levensbeëindiging door kinderen die geestelijk lijden, bevestigt A. Josephus Jitta, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie en voormalig hoofdofficier van justitie. ,,De wet maakt geen onderscheid tussen lichamelijk en geestelijk lijden.'' In theorie kan een psychiater onder de nieuwe wet een zwaar depressief hulp bij zelfdoding geven zonder dat de ouders dat willen. Jitta gaat er echter van uit dat artsen nooit mee zullen gaan in de doodswens van een zo jong iemand die niet terminaal ziek is. Volgens hem staan de in het wetsvoorstel opgenomen zorgvuldigheidseisen daar borg voor, die onder meer bepalen dat sprake moet zijn van `ondraaglijk lijden' in een `uitzichtloze' situatie. ,,Als iemand jonger is dan zestien is er nog niet zoveel tijd verstreken om te zeggen dat elke behandeling tot mislukken is gedoemd.''

In hun wetsontwerp sluiten sluiten Borst en Korthals overigens alle vormen van levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding uit die niet geschiedt op uitdrukkelijk verzoek van betrokkene. Het kan daarbij onder meer gaan om (pasgeboren) kinderen die nog niet kunnen spreken of patiënten die in coma zijn geraakt. Daarvoor komen de ministers met een aparte regeling waarbij een landelijke toetsingscommissie het handelen van de arts beoordeelt. Vervolgens besluit het OM of het al dan niet tot vervolging van de arts overgaat.

Wel legaliseren Borst en Korthals de schriftelijke euthanasieverklaring, die door de arts als richtsnoer mag worden gebruikt op het moment dat de patiënt bijvoorbeeld door dementie niet meer in staat is weloverwogen over zijn dood te beslissen. De verklaring moet dan wel duidelijk de wens van de patiënt verwoorden, door hem `in alle vrijheid' zijn opgesteld op een moment dat hij dat `met zijn volle verstand' kon doen.