Diermedicijn conjunctuurgevoelig

Chemieconcern Akzo Nobel neemt de afdeling diermedicijnen van het Hoechst over voor bijna 1,5 miljard gulden.

De verkoop van de vezeldivisie door Akzo Nobel is even logisch als de acquisitie door hetzelfde bedrijf van de veterinaire activiteiten van het Duitse Hoechst Roussel Vet. Het chemieconcern wil zich verlossen van divisies die erg gevoelig zijn voor de schommelingen van de conjunctuur, zoals vezels en bulkchemie, en in plaats daarvan producten maken die van een stabielere markt verzekerd zijn.

De weigerachtigheid van de Europese Commissie jegens Hoechst, dat fuseert met het Franse Rhône-Poulenc, is op een meevaller uitgedraaid voor Akzo. Aventis, waarin Rhône-Poulenc en Hoechst samengaan, zou naar Brusselse maatstaven wat al te groot worden op de Europese markt voor diergeneesmiddelen. Rhône-Poulenc brengt immers Merial mee, de joint venture die enkele jaren geleden is gevormd met de veterinaire activiteiten van de Amerikaanse farmaceutische reus Merck and Co.

Bestuursvoorzitter Van Lede had zonder twijfel liever een bedrijf gekocht dat actief is op het gebied van humane farmacie, om de eenvoudige reden dat die branche hoegenaamd ongevoelig is voor economische cycli. Hoe het economisch tij ook is, de zorg voor de gezondheid van mensen blijft een politieke prioriteit. Voor de veterinaire farmacie geldt dat in mindere mate, omdat het grootste deel van de omzet wordt gerealiseerd in de agrarische sector. Globaal bijna tachtig procent van de producten gaat naar veearts en boer, de rest naar de dierenarts die honden, katten, parkieten en cavia's als patiënt heeft. Dat is een vervelende verdeling. Boeren zijn in krappe tijden geneigd de hand op de knip te houden als het om de gezondheid van hun dieren gaat, eigenaren van huisdieren steken zich desnoods in de schuld als het leven van hond of poes in het geding is. De omzet in diergeneeskundige producten verschuift langzaam maar zeker in de richting van de `pets', terwijl het belang van de agrarische sector juist afneemt. Dat komt niet in de laatste plaats door politieke druk. De laatste jaren is er steeds sterkere kritiek op de voedseladditieven die kippen- en veehouders gebruiken, wat heeft geleid tot een Europees verbod op het gebruik van antibiotica als groeibevorderaar. Dat betekent een fors omzetverlies voor vrijwel al deze bedrijven.

Het overnemen van ondernemingen die zijn gespecialiseerd in geneesmiddelen voor de mens is voor Akzo niet aan de orde. Akzo's Organon is daarvoor te klein, te veel een `niche speler' met een belangrijk product als de pil en als er al iets interessants over te nemen valt zijn er heel wat kapitaalkrachtiger kapers op de kust.

Ondanks de verminderde afzetperspectieven in de agrarische sector heeft Intervet, Akzo's veterinaire dochter, het vooral met zijn vaccins en vruchtbaarheidsproducten altijd goed gedaan. De groei van het bedrijf sinds 1949 is goeddeels op eigen kracht bereikt, hoewel het ook verschillende overnames pleegde. Zo kocht Intervet in de jaren tachtig de diergeneeskundige afdeling van Gist-brocades, Mycofarm.

`Kritische massa' is tegenwoordig een sleutelbegrip in zowel de humane als de veterinaire farmaceutische industrie. Wie niet groot genoeg is redt het niet, vooral wegens de gigantische kosten van onderzoek naar en ontwikkeling van nieuwe producten. De overname van Hoechst Roussel Vet voegt zonder twijfel veel massa toe aan Intervet, dat kennelijk reden heeft de toekomst zonnig in te zien. Dat is opmerkelijk, omdat andere bedrijven beduidend minder vertrouwen tonen. Niet voor niets hebben Merck and Co. en Rhône-Poulenc hun veterinaire activiteiten afgescheiden en ondergebracht in Merial, heeft het Amerikaanse Pfizer de diergeneesmiddelen van het Amerikaans-Britse SmithKline Beecham overgenomen en heeft Solvay Duphar zijn activiteiten op dit gebied overgedaan aan het Amerikaanse Fort Dodge – om er een paar te noemen. Had de Féderation Européenne de la Santé Animale in Brussel begin dit decennium nog ruim twintig leden, nu zijn er nog tien over.

Voor de somberheid onder fabrikanten van diergeneesmiddelen zijn een paar redenen. Zo heeft de Europese Unie de regels voor de registratie van geneesmiddelen `geharmoniseerd', wat erop neerkomt dat elke lidstaat zijn eigen, nationale eisen op tafel legde waardoor een cumulatie van strenge regels is ontstaan. Daardoor is voor een aantal bedrijven de lat gewoon te hoog komen te liggen. En ook nu hangen donkere wolken boven het handjevol bedrijven dat medicijnen voor dieren maakt. Op 1 januari volgend jaar moeten ze van de Europese Commissie onderzoeken overleggen rond de zogeheten maximale residu limiet (MRL). Van elk medicijn moet bekend zijn hoeveel reststoffen ervan in een geslacht dier zitten. Dat geldt voor koeien, varkens, kippen, geiten en schapen, maar ook voor paarden. Dat alles ter bescherming van de consument. Die onderzoeken zijn peperduur en het gaat veelal om producten waarop geen octrooi meer rust. Voor de meeste stoffen is dus helemaal geen MRL vastgesteld. Zou de Europese Commissie vasthouden aan 1 januari 2000, dan hebben industrie en vee-arts een heel eigen millenniumprobleem. De bedrijven kunnen vrijwel niets meer leveren en de vee-arts staat vrijwel met lege handen.

Om als bedrijf tegen dat soort ontwikkelingen een vuist te kunnen maken is `kritische massa' dus evenzeer belangrijk. En daar slaagt Intervet met zijn nieuwe aankoop in. Het bedrijf wordt naar eigen zeggen `gekatapulteerd' van de tiende naar de vierde plaats, wereldwijd.