Belastingharmonisatie EU schaadt economie

Het plan van de Europese Commissie voor het afremmen van de belastingconcurrentie door de vijftien nationale systemen voor vennootschapsbelasting op elkaar af te stemmen, is de dood in de pot voor de economie in Europa, meent J.C. Blankert.

Hoewel de interne markt op allerlei gebieden aanwezig is en ondernemingen hun bedrijfsstructuur hieraan aanpassen, bestaat die markt niet op het gebied van directe belastingen. Dat nu ook de belastingen naar de top van de Europese politieke agenda opstomen, zou dus verheugend moeten zijn.

Maar als je naar de motieven voor de belastingaanpassing kijkt, blijkt het tegendeel het geval. Vooral voor grote EU-lidstaten als Frankrijk en Duitsland lijkt verbetering van de interne markt en de Europese economie niet voorop te staan, omdat zij bescherming nastreven van hun eigen posities en van de Europese heilige koeien.

In de eerste plaats zou EMU om meer coördinatie vragen op het gebied van de vennootschapsbelasting, vanwege de invoering van één wisselkoers en één monetair beleid. Het tweede motief is het tegengaan van belastingconcurrentie. De EMU leidt tot meer transparantie, hetgeen tot gevolg heeft dat de (effectieve) belastingdruk duidelijker zichtbaar wordt en dus van meer invloed zal zijn bij het nemen van investeringsbeslissingen. Dit zou kunnen leiden tot meer belastingconcurrentie, die wordt geacht schadelijk te zijn. Het derde motief is het vermeende gevaar van een verschuiving van belasting op kapitaal naar belasting op arbeid. Dit zou een bedreiging zijn voor de Europese welvaartsstaat. Het vierde motief staat op de geheime agenda van Parijs en Berlijn: de verdediging van de Duits-Franse natuurlijke fiscale voorsprong.

VNO-NCW ziet niet in waarom bovenop de budgettaire coördinatie, zoals afgesproken in het Stabiliteitspact, als onvermijdelijke nieuwe stap de belastingheffing in het algemeen en die van ondernemingen in het bijzonder meer gecoördineerd of zelfs geharmoniseerd zou moeten worden. Het belastingniveau (inclusief premies voor de sociale zekerheid) wordt uiteindelijk bepaald door het door de burgers gewenste voorzieningenniveau (o.a. onderwijs, infrastructuur, sociale zekerheid).

Elk land moet, ook na het van start gaan van de EMU, zijn eigen nationale voorkeuren kunnen blijven bepalen. Er is dan ook geen reden om het niveau van overheidsuitgaven als uiting van nationale voorkeuren vanuit Brussel te harmoniseren. Dus ook niet het belastingniveau. Een gezonde beleidsconcurrentie op het voorzieningenniveau heeft derhalve gevolgen voor het belastingniveau en vice versa. Teveel coördinatie of harmonisatie van belastingdrukniveaus zou bovendien verstarrend kunnen werken ten aanzien van de noodzakelijke aanpassingen van de collectieve sector in Europa. En die aanpassingen zijn broodnodig, getuige het feit dat de Europese welvaartsstaat er bepaald niet gezond voorstaat. Het leven is er bijna 20 procent punten BBP duurder dan in de VS en er heerst tweemaal zoveel werkloosheid.

De Europese Commissie stelt dat de realisatie van het vrije kapitaalverkeer weliswaar een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan een efficiëntere allocatie van kapitaal, maar dat zij via de belastingconcurrentie ook heeft geleid tot het zwaarder belasten van de factor arbeid ten gunste van kapitaal. Dit zou ten koste zijn gegaan van de werkgelegenheid en een stimulans hebben gegeven aan de informele economie. Er zou daarbij een `tax race to the bottom' ontstaan, waarbij niet alleen de lastendruk op arbeid zou stijgen, maar ook de Europese welvaartsstaat onder druk zou komen te staan en de economie erbij in zou schieten.

De vraag is of deze stelling juist is. De feiten uit het verleden laten niet zien dat er sprake is van een om zich heen grijpende schadelijke belastingconcurrentie in Europa.

De ontwikkelingen in Nederland (een van de meest open economieën, zeker wat kapitaal betreft) wijzen op het tegendeel. Sinds 1985 is de druk op arbeid juist gedaald en die op kapitaal min of meer gelijk gebleven. Dit was mogelijk door allerlei structurele aanpassingen in de Nederlandse overheidsuitgaven, die zich hebben vertaald in een daling van in het bijzonder de wig. Een en ander is gepaard gegaan met flinke banengroei. In veel EU-landen is die weg echter veel minder sterk ingeslagen. Dat de belastingdruk op arbeid in die landen is gestegen, heeft dan ook meer te maken met gebrek aan aanpassingen op het gebied van de collectieve sector en een traditioneel lage effectieve druk op kapitaal. Uiteraard is ook VNO-NCW geen voorstander van een `tax race to the bottom'. Er is een grens aan `nuttige belastingconcurrentie', namelijk tot daar waar als gevolg van doorschietende concurrentie een zowel economisch als sociaal gezien noodzakelijk geacht collectief verzorgingsniveau niet meer zou kunnen worden gehandhaafd. Maar waar ligt die grens? De burgers en de lidstaten bepalen dat zelf. Dat in Europa de collectieve sector al tot een gezond niveau is teruggebracht, lijkt mij niet het geval. Enige voortgaande druk tot aanpassing, ook via de weg van belastingconcurrentie, kan zeker geen kwaad.

Nu de geheime agenda van Parijs en Berlijn. Vooral Nederland lijkt in de Europese discussie over beleidsharmonisatie op het gebied van de vennootschapsbelasting het slachtoffer te worden van zijn eigen succes. Het Nederlandse fiscale beleid heeft bijgedragen aan een goed investeringsklimaat. Dat wekt jaloezie bij Duitsland en Frankrijk. Zij wijzen met de beschuldigende vinger naar landen als Nederland en hameren op een gedragscode als voorwaarde voor een gelijk fiscaal speelveld.

Dat klinkt misschien velen redelijk in de oren, maar er zit een adder onder het gras. De misvatting is dat men denkt dat, indien er geen `schadelijke' belastingverschillen meer zouden bestaan tussen de EU-landen via lagere tarieven en andere voorzieningen, er sprake zou zijn van een gelijk speelveld. Niets is minder waar. Door het uitbannen van belastingconcurrentie wordt juist het natuurlijke fiscale voordeel verstevigd, dat grote EU-landen hebben ten opzichte van kleinere landen. Grotere landen kennen nu eenmaal van nature bepaalde fiscale schaalvoordelen voor het ondernemen. In de eerste plaats op het gebied van verliescompensatie. Zolang het niet mogelijk is om in de EU verliezen en winsten over de grenzen heen te verrekenen, hebben de grotere EU-landen een fiscale concurrentievoorsprong op kleinere landen door de omvang van hun nationale markt. Wanneer een multinationale onderneming een grote investering overweegt, zal zij geneigd zijn een locatie te kiezen waar de afschrijvingen fiscaal tot hun recht kunnen komen en waar het risico van verliezen fiscaal kan worden geabsorbeerd. In de tweede plaats kennen grotere landen een fiscaal voordeel, doordat hun ondernemingen met minder belastingkosten worden geconfronteerd in het kader van fusies, reorganisaties, splitsingen, verrekeningsprijsproblemen, bronheffingen op rente- en royaltybetalingen en de daaruit voortvloeiende internationale dubbele belasting dan pan-Europees opererende ondernemingen uit kleinere landen. München ligt voor een Amsterdamse onderneming over de grens, voor een Hamburgse onderneming ligt dat anders. Het lijkt daarom alleszins redelijk dat kleinere landen het recht hebben te concurreren om hun natuurlijke fiscale achterstand via lagere tarieven of anderszins op te heffen.

VNO-NCW is dan ook voorstander van beleidsconcurrentie, ook op het gebied van de winstbelasting. Maar dat betekent niet dat zij voorstander is van onbegrensde fiscale concurrentie. Bij gezonde en eerlijke concurrentie horen uiteraard wel regels. Zo mogen lidstaten niet discrimineren tussen binnen- en buitenlandse ondernemingen die in dezelfde omstandigheden verkeren. Maar ik ben geen voorstander van vanuit Brussel opgelegde minimumtarieven. Wel denk ik dat, net als bij prijsvorming op de markt, hier ook convergentie zal ontstaan onder invloed van diezelfde markt.

Het belangrijkste is echter dat er een echte Interne Belasting Markt ontstaat door het opruimen van die fiscale verschillen, die een belemmering opwerpen voor het functioneren van de interne markt. Daarbij denken wij aan verliescompensatie over de grens, géén bronheffingen op `intercompany royalty-betalingen', et cetera.

Er is dus zeker nog het nodige te doen voor de heer Bolkestein. Het wegnemen van deze fiscale belemmeringen binnen de EU is van groter belang dan het ontketenen van een heksenjacht op (kleine) lidstaten die fiscaal concurrerend willen zijn. Ook voor internationaal opererende ondernemingen, waar FNV-leden hun brood verdienen. Ik wens de heer Bolkestein dan ook veel succes toe in zijn nieuwe functie.

Drs. J. C. Blankert is voorzitter van VNO-NCW.