Vakbond verstrikt in goed gedrag

In Nederland slaat de denivellering toe. Terwijl de CAO-lonen met 2,8 procent stijgen, verdienen de bazen 8 procent meer. Het is de markt, zeggen de werkgevers. Intussen zitten de vakbonden verstrikt in hun eigen goede gedrag.

Volgens de vakbonden is er geen houden meer aan. Het beeld van zich almaar verrijkende werkgevers tegenover amechtig sappelende werknemers heeft zich in de hoofden van de laatsten vastgezet. ,,De werkgevers spelen met vuur'', meent CAO-coördinator Henk van de Kolk van de vakcentrale FNV. Werknemers willen er immers in salaris net zoveel op vooruit gaan als de mensen voor wie ze werken, de werkgevers. Vooralsnog is dat niet het geval: de gemiddelde CAO-loonstijging is de afgelopen jaren 2,8 procent geweest tegen een loonstijging van zo'n 8 procent voor de top van het bedrijfsleven.

,,Dat onze leden er net zoveel procent op vooruit willen gaan, begrijpen we heel goed. Maar het is tegelijk zeer onverstandig'', zegt Van der Kolk. De prijs voor een stijging van de zogeheten contractlonen van, zeg, 8 procent wordt uiteindelijk door de werknemers zelf betaald in de vorm van verlies van banen, meer uitkeringen en meer sociale premies. Vandaar dat de FNV niet zozeer pleit voor een loonstijging voor de eigen achterban, maar voor een matiging van de salarissen van de werkgevers. Maar de dreiging die dit pleidooi vergezelt is paradoxaal genoeg een verhoging van de looneis voor de komende CAO-rondes.

Het is nog maar de vraag of werknemers zo te hoop zullen lopen tegen de hogere salarissen die, zoals het jargon luidt, aan de bovenkant van het loongebouw worden verdiend. Geld is allang niet meer de voornaamste drijfveer achter het werk. Ontplooiingsmogelijkheden en ruimte voor vrije tijd zijn daarvoor in de plaats gekomen. Wat kan het werknemers dan nog schelen dat geld met bakken tegelijk binnenkomt bij het topkader? ,,Je gaat het toch vergelijken'', meent Van der Kolk, ,,zeker in de Nederlandse samenleving botst zo'n verschil met het rechtvaardigheidsgevoel van de werknemer. Temeer omdat juist de groep die het goede voorbeeld zou moeten geven zich verrijkt.''

Zoals elke keer wanneer de verschillen tussen boven- en onderkant van de arbeidsmarkt duidelijk worden, vormt het oplossen van dit probleem, althans in de ogen van de vakbonden, tegelijk de lakmoesproef voor het poldermodel. Het overleg tussen sociale partners, de basis van dit `model', moet er nu toe leiden dat de werkgevers onder druk van de werknemers het beeld van de scheve loonstijgingen doen kantelen. Het liefst hebben de vakbonden dat werkgeversvereniging VNO-NCW van de daken schreeuwt dat de top van het bedrijfsleven zich moet matigen.

Daar piekeren de werkgevers echter niet over. Wat hen betreft is de hogere loonstijging aan de top gewoon een kwestie van vraag en aanbod, ook in internationale zin. Dat is een marktwet waarvan leden van vakbonden evenzeer profiteren – als ze tenminste in een bedrijfstak werken waar de vraag naar arbeid groot is en het aanbod gering.

De 2,8 procent loonstijging die gemiddeld in CAO's is afgesproken vertelt volgens VNO-NCW niet het hele verhaal. Een met een hogere salarisschaal beloonde promotie zit niet in het percentage. Hetzelfde geldt voor de periodiek en de incidentele loonstijging om werknemers extra te belonen of binnenboord te houden. Met de toename van het verschil tussen de inkomens van de modale werknemer en de top is eigenlijk niets nieuws onder de zon. Volgens onderzoekers van de universiteit van Maastricht is deze denivelleringstrend begin jaren negentig ingezet. De tien procent van de mensen met de laagste inkomens hebben een steeds kleiner deel van het nationaal inkomen te verdelen (zo'n 2 procent) en de tien procent hoogste inkomens trekken een steeds groter deel van het nationaal inkomen naar zich toe (bijna een kwart).

Nederland staat in Europa volgens managementadviesbureau Towers Perrin op de tweede plaats wat zowel de matiging van de lonen betreft als de mate van denivellering, dus de vergroting van de inkomensverschillen. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau neemt onder Nederlanders de wens tot denivellering sinds 1970 toe. Wie hard werkt, mag daarvoor extra beloond worden. De vakbonden komen hierdoor in een onmogelijke spagaat terecht. Zij streven naar collectieve loonmatiging, om de onderkant van de samenleving te beschermen, in een maatschappij die met verschillen tussen arm en rijk steeds minder moeite heeft.