Spaar de vogels

Bij de deur op mijn lagere school aan het Guyotplein in Groningen hing een emaillen bordje waarop stond Behandel de dieren met zachtheid spaar de vogels. Ik had een Davo-postzegelalbum en spaarde en ruilde dapper postzegels. Het ging om series. De zeeheldenserie zie ik nog duidelijk voor me, ook de molenserie, de schildersserie. Ik kan me geen schrijversserie herinneren. Een componistenserie? Wel een vogelserie en daarom vond ik de tweede tekst op het bordje ook een wijze raad. Ik was dan ook woedend toen de meester in de klas mijn hele album voor een week confisqueerde, omdat ik met mijn postzegels bezig was tijdens de les. Ik had juist door ruiling een paradijsvogel aan mijn serieverzameling toegevoegd. Maar toen ik de tekst naast de voordeur te berde bracht die ik zo kranig in praktijk bracht, kreeg ik niet alleen een flinke dreun voor mijn kop, maar moest ook een uur op de onverwarmde gang tegenover de wc's in de pislucht staan. Nergens werd zoveel geruft, gestonken en geslagen als op mijn christelijke school met de Bijbel op het Guyotplein.

Nooit zou ik een dier kwaad doen, laat staan een vogel. Zoals menig gezin in onze buurt hadden wij een hond en een kat, we waren zelfs aangesloten bij de kattenbakcentrale. Elke week een schone kattenbak voor een kwartje. Ik hoor moeder nog: kunt u de kattenbak even opschrijven tot volgende week? Van veel buurtgenoten ben ik de namen vergeten, maar niet hun honden. Ik zie nog duidelijk Loki en Herta, Astrid, een teef van de timmerman aan de overkant, genoemd naar die zo tragisch omgekomen koningin van België.

We hadden thuis ondanks onze poes last van muizen. Maar vader weigerde een muizenval. Hij had een muizenlokkistje op de kop weten te tikken waarmee je een muis levend kon vangen. Wij moesten het beest dan twee straten verderop loslaten, het liefst in de buurt van het huis van een schuldeiser of andere booswicht. `Een muis vindt dan nimmer de weg naar huis terug.' Mooi wel. Mijn broertje en ik geloofden dat verhaaltje van onze vader niet en schilderden de muizenstaart met nagellak rood. Twee dagen later was de sukkel weer in de val gelopen. Wij hebben hem stiekem op zolder losgelaten en daarna nog drie keer gevangen. Dat beestje hield van ons en wij waren ook aan ons domme kameraadje gehecht. Vader kon er niet om lachen. Moeder: ach, laat die kinderen toch, wees blij dat ze van dieren houden.

Vorig jaar is mijn kater doodgegaan. Ik hou nog steeds van dieren. Mensen die een paard verwaarlozen of een neushoorn voor de grap of voor het gewin doodschieten, of konijnen in een hok laten zitten, zonder wortelen, knolletjes of paardenbloemensla, en rustig afwachten tot ze doodgaan, verdienen een zwaardere straf dan voor welk ander misdrijf ook. Je hebt mensen die een kat bedorven voedsel geven, ook die moeten zeer, zeer zwaar worden gestraft. Onder het paleis op de Dam in Amsterdam zijn prachtige kerkers, zeer doelmatig voor langdurige opsluiting op water en brood.

Ik heb veel verdriet gehad van mijn katers doodgaan. Iedereen die een kat heeft, vindt die de meest bijzondere op de hele wereld. Mijn kater had eigenlijk niks bijzonders. Bijzonder slim was hij absoluut niet. Eerder wat dom en naïef. Je kon met hem lachen, omdat hij zo'n ernstig gezicht kon trekken en dan ergens om miauwen wat nergens op sloeg. Ze zeggen wel dat een hond op zijn baas lijkt, bij mij was het geloof ik meer mijn kat die op me leek. Het liefst hing hij in de winter boven de radiator. Half hangen zodat het leek alsof hij elk ogenblik kon vallen. Hij kon zonder aanleiding, zonder dat ik hem aanhaalde of aaide, gaan spinnen. Geen diersoort dat duidelijker van zijn welbehagen kan getuigen dan de katachtigen.

Ik bevind me momenteel in een Spaans dorp in de bergen. Er zijn hier veel katten. Twee soorten. De gedomesticeerde en de zwerfkat. Die zwervers moeten maar zien hoe ze aan de kost komen. Ze zien er vaak niet uit. Gehavende desperado's die je veel tegenkomt in de buurt van vuilnisvaten waar ze de zakken lostrekken en rotzooi veroorzaken. Ze worden daarom bekogeld met stenen, krijgen een trap, of een stuk hout naar hun kop gegooid. Ze laten zich niet aanhalen, want hun grootste vijand is de mens.

In de tuin van mijn onderkomen lopen ze ook rond. Ik kocht beneden in de stad in de supermarkt meteen zakken brokjes en blikjes voer. Waar begin je aan. Binnen de kortste tijd had ik er een stuk of acht in de kost. Denk maar niet dat die beesten een beetje voor elkaar opkomen, dus dat werd me een gevecht, geloei en geblaas van jewelste. Bij de dorpsslager haalde ik afvalvlees, maar daar ben ik mee gestopt want er kwamen onderling ongelukken van.

Uiteindelijk bleven er twee over. Vanuit de verte niet duidelijk te zien, maar ik denk broer en zus. Die kwamen uit hetzelfde nest. Een gevlekte met een komisch uiterlijk en een pik-en-pikzwarte, met een wit befje en die leek op mijn kater. Hij was ook het minste schuw. Niet dat hij zich liet aanhalen, maar hij vloog er als ik de tuin inkwam niet meteen als een idioot vandoor, maar bleef op een veilige afstand. Die werd steeds kleiner. Als ik hem eten bracht, ging ik op de stoep in de tuin naast hem zitten. Zo ging het stapje voor stapje met onze vriendschap. Ik liet de deur open en hij liep achter me aan en zat als ik ontbeet keurig aan mijn voeten te spinnen van genot om zoveel overdaad en aandacht. En ja hoor. Niemand die het gelooft: hij sprong op mijn schoot en ik bedacht meteen een heel reisplan om hem mee naar Amsterdam te nemen, als Spaanse opvolger van mijn gestorven kater waar hij zo op leek.

Vergeet het maar. Onheil en verdriet gaan hand in hand. 's Avonds kom ik uit mijn dorpscafé. Op de hoek in het schemerlicht van een straatlantaarn ligt hij. Dat is gevaarlijk. Als er een auto langskomt. Nou die was er al langsgekomen, want hij was hartstikke dood. Hij was zo stijf als een plank. Zo licht als een veertje ondanks mijn blikjes en brokken. Ik heb met hem op een muurtje gezeten. Daar heb ik zitten janken omdat ik zijn ogen niet dicht kreeg, dat gaat namelijk niet als je al een tijdje dood bent.