Proceskosten

Onder de titel `Proces David vs Goliath' adviseert Harry van Wijnen (NRC Handelsblad, 29 juli) diegenen die van plan zijn tegen de overheid – bedoeld is kennelijk: de staat – te gaan procederen, eerst uit te zoeken welk tarief het kantoor van de landsadvocaat in rekening brengt en wat het kan gaan kosten als men bij verlies ,,de proceskosten van de tegenpartij (lees: de advocatenkosten)'' moet betalen. Van Wijnen is hier slachtoffer van een wijdverbreid misverstand. Wanneer men bij verlies van een proces wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de tegenpartij – particulier, bedrijf dan wel overheid –, is het de rechter die de kostenveroordeling vaststelt volgens een landelijk bij de gerechten geldend tarief. Die kosten betreffen proceshandelingen, dus b.v. niet adviezen en andere buitengerechtelijke verrichtingen van de advocaat van de tegenpartij. Met het uurtarief dat die advocaat aan zijn cliënt in rekening brengt houdt de rechter bij het vaststellen van de proceskostenveroordeling geen rekening; sterker nog: de rechter zal dat tarief niet eens kennen. Dit neemt natuurlijk niet weg dat kostenveroordelingen flink in de papieren kunnen lopen en dat men dat risico goed moet inschatten voordat men aan een proces begint, zeker tegen een wederpartij met een langere financiële adem. Ook hier geldt het oude gezegde, dat een magere schikking beter is dan een vet proces.