Kind mag einde leven zelf bepalen

Een ernstig ziek kind van twaalf tot zestien jaar krijgt het recht tegen de wens van zijn ouders in zelf over beëindiging van zijn leven beslissen.

Dit blijkt uit het ontwerp voor de wet `Toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding' dat de ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie) gisteren naar de Tweede Kamer hebben gestuurd. Het zelfbeschikkingsrecht voor kinderen onder de zestien geldt alleen als euthanasie of hulp bij zelfdoding voorkomt dat `uitzichtloos en ondraaglijk lijden' voortduurt. Jongeren van zestien of zeventien jaar kunnen volgens het wetsvoorstel altijd zelfstandig besluiten een einde aan hun leven te maken, al moeten hun ouders wel bij de besluitvorming worden betrokken.

Het kabinet stemde begin juli al in met het wetsvoorstel, maar de tekst moest op een aantal punten nog worden aangepast aan het kort daarvoor ontvangen tweede advies van de Raad van State.

Het wetsontwerp is qua strekking identiek aan een voorstel dat door de fractie van D66 samen met die van VVD en PvdA in april 1998 is ingediend. Euthanasie en hulp bij zelfdoding blijven weliswaar strafbaar, maar de arts wordt uitgesloten van strafvervolging als hij voldoet aan de zorgvuldigheidseisen die in de wet zijn geformuleerd. Ook moet de arts de euthanasie of zijn hulp bij zelfdoding hebben gemeld bij de gemeentelijke lijkschouwer. Of een arts aan deze eisen heeft voldaan wordt beoordeeld door een van de vijf regionale toetsingscommissies die in november 1998 zijn opgericht. Daarin hebben minimaal een jurist (die tevens voorzitter is), een arts en een ethicus zitting. Is niet aan de eisen voldaan, dan meldt de commissie dat aan het openbaar ministerie, dat dan over vervolging beslist.

Tot de zorgvuldigheidseisen behoort de overtuiging van de arts dat er sprake is van een `vrijwillig, weloverwogen en duurzaam' verzoek van de patiënt. Ook moet hij ervan overtuigd zijn dat er voor de patiënt alleen een `uitzichtloos en ondraaglijk' lijden rest. De patiënt moet goed voorgelicht zijn en met de arts tot de conclusie zijn gekomen dat er geen redelijke andere oplossingen voorhanden zijn. De arts moet de behandeling medisch correct hebben uitgevoerd. Daarnaast moet hij een andere, onafhankelijke arts hebben geraadpleegd die heeft beoordeeld of de behandelende arts aan de eisen heeft voldaan, maar die ook de patiënt zelf heeft `gezien'.

Op advies van de Raad van State voorziet het wetsvoorstel nu ook in een aparte regeling voor minderjarigen tussen twaalf en achttien jaar. Bij kinderen onder de twaalf jaar ontbreekt veelal het `oordeel des onderscheids' dat bij de oudere kinderen wel aanwezig is. Bij de groep van twaalf- tot zestienjarigen is het oordeel van de ouders medebepalend. Als ouders toestemming weigeren, kan de arts toch aan de wens van het kind gehoor geven als hij ervan overtuigd is dat de levensbeëindiging ernstig nadeel voor de patiënt kan voorkomen.