Kankerheks

Het is half vier, donderdagmiddag. Met drie kinderen zit ik gezellig thee en limonade te drinken aan de grote eettafel. Sam knipt oude kerstkaarten aan stukken en gooit de snippers in zijn thee. Het is een serieus karwei, het puntje van zijn tong steekt uit zijn mond.

Emma kauwt zoet op piepkleine stukjes boterham met jonge kaas. Af en toe pakt ze een potlood en krast er even mee op het papier van haar oudere zus Hannah die aan één stuk door prinsen en prinsessen tekent.

,,Vissen'', zegt Sam, als ik vraag wat het doel is van zijn bezigheid. Ik kijk in de koud geworden thee en moet toegeven dat die inmiddels wel wat weg heeft van een vijver vol vissen. De visser pakt een theelepeltje en vist daarmee de snippers uit de vijver: ,,Vissen vangen!''

Na de thee gaan we spelen. ,,Een hut bouwen'', wordt er democratisch besloten. Alle stoelen, de lakens, de piano en de bank doen mee. De hele speelkamer wordt naar de zitkamer gehaald en binnen een half uur staat er een wankel bouwwerk. ,,Een kasteel'', verduidelijkt Hannah. Zij somt de rolverdeling op. ,,Jij was koningin en ik de prinses. Sam was de prins en Emma het kleine kind waar we steeds op moesten letten en die we in bed deden. Jij lag op bed en kon niks doen, want je had kanker.''

,,Wat?!'', roep ik verbaasd uit.

,,Kanker. Dat is een ziekte. Het was ongeneeslijk bij jou, oké?''

Ik zie dat ik weinig keuze heb en schik mij in de rol van patiënt.

,,Zo Sam'', delegeert het prinsesje verder. ,,Jij ging nu jagen.'' Sam protesteert. Hij wil niet jagen, dat is te eng. Hij gaat gewoon boodschappen doen bij de groenteman en daarna pizza's maken voor het avondeten.

Emma zit rustig in een sprookjesboek te bladeren. Af en toe komt ze bij de zieke koningin kijken en slaat plechtig een paar maal met een plastic koekenpan op mijn voorhoofd.

Na een kwartier op de bank liggen vind ik dat er iets aan mijn erbarmelijke toestand moet veranderen. ,,Hannah'', zeg ik zo streng mogelijk. ,,Nu gaan we iets anders doen.''

,,Goed'', zegt ze verrassend toegeeflijk. ,,Jij was een heks die heel gemeen was. En ik was een goede fee. En Sam en Emma waren arme kinderen.''

Ik knik instemmend, dit klinkt stukken beter. Maar ik juich te vroeg.

,,En'', zegt de fee, ,,jij had nog steeds kanker.''