Japan: vulkaan met `wekelijkse erupties'

Japan is zich aan het hervormen, maar het gaat heel moeizaam. Onlangs ontvouwde het Japanse planbureau zijn visie over `de ideale vorm van economie en samenleving'. Gesprek met een oncon- ventionele minister.

Japan is een vulkanisch land met wekelijks kleine aardbevingen en minister Taichi Sakaiya heeft dan ook weinig moeite de huidige veranderingen in Japan – zoals ongekende faillissementen van banken en arrestaties van bankdirecteuren wegens het vervalsen van de boeken – plastisch aan te duiden. ,,Hier en daar komt het magma al in kleine erupties naar buiten, maar de grote vulkaanuitbarsting moet nog komen', zegt hij in zijn werkkamer als hoofd van het Economisch Planbureau.

Sakaiya is een buitenbeentje in de Japanse regering. Hij begon als ambtenaar op het machtige ministerie van Internationale Handel en Industrie maar nam vroegtijdig ontslag om een gevierd economisch criticus te worden. Hij is geen lid van een politieke partij, maar na sterk aandringen van premier Keizo Obuchi trad hij een jaar geleden tot de regering toe als hoofd van het Planbureau. Onlangs nam deze goede prater tijd om buitenlandse journalisten te woord te staan naar aanleiding van de toekomstvisie die zijn bureau afgelopen maand publiceerde onder de titel `De Ideale Vorm van Economie en Samenleving. Beleidsplan voor Vernieuwing van de Economie'.

Het rapport predikt een terugtreden van de overheid en liberalisering van de economie. De overheid moet slechts regels vastleggen en overtreders aanpakken. Het individu moet maximale vrijheid krijgen. Het rapport heeft scepsis ontmoet, omdat al eerder rapporten van dergelijke strekking het licht hebben gezien, met name het Maekawa-rapport van eind jaren tachtig dat stilletjes in een la is verdwenen. Sakaiya bestrijdt zulke scepsis met de constatering dat zijn rapport per kabinetsbesluit is goedgekeurd, een eer die het Maekawa-rapport nimmer heeft gekregen.

In zijn tijd als topman van het planbureau schreef Sakaiya begin jaren negentig dat ,,structurele corruptie een integraal deel is van de Japanse samenleving' en dat overheidsinstanties speciaal maatregelen ontwerpen om de corrupte bovenlaag te beschermen. Het is moeilijk voor te stellen dat de politieke partij die al deze jaren aan de macht is nu opeens een `terugtredende overheid' zou willen prediken, waarbij automatisch de kansen voor machthebbers om een graantje mee te pikken verminderen. Op deze tegenwerping zegt Sakaiya echter dat de tijden zijn veranderd.

Er is een grote omslag in het denken gekomen door de crisis van eind 1997 toen de effectenhuizen Sanyo en Yamaichi en de grote Hokkaido Takushoku Bank achter elkaar failliet gingen.

Die crisis van '97 was ,,de opening van het internationale jachtseizoen op Japan', zo schreef de onlangs afgetreden topambtenaar van het ministerie van Financiën Eisuke Sakakibara recentelijk in een terugblik. Het was ook het begin van de recessie die uiteindelijk leidde tot electoraal verlies in 1998 en het aftreden van toenmalige premier Hashimoto.

Maar toch blijken oude denkpatronen moeilijk te veranderen. Eind juli diende de regering wetsvoorstellen in die bedrijven belastingvoordelen bieden bij het schrappen van overcapaciteit, een van de grote problemen waarmee de Japanse industrie kampt. Om dit voordeel te krijgen moeten bedrijven hun herstructureringsplannen laten goedkeuren door het ministerie van Internationale Handel en Industrie (MITI). Een van de criteria die het MITI had geformuleerd was dat de plannen ,,geen schade moesten toebrengen aan de harmonie in de internationale economische gemeenschap'. Het is moeilijk voor te stellen dat het MITI hierbij een vrije markteconomie in gedachten had. Een vrije markteconomie impliceert immers geen harmonie maar concurrentie die winnaars en verliezers oplevert. Het MITI kreeg dan ook veel kritiek en zou de criteria aanpassen.

Maar het is veelbetekenend dat het MITI over `harmonie' spreekt alsof het heerst over een socialistische planeconomie, want in zekere zin is dit ook zo. Commentatoren hebben erop gewezen dat in een beschermde economie als Japan juist een recessie dwingt tot kar- tels en verdergaande bescherming. Want het leven van bedrijven is gegarandeerd en de enige strijd ging om marktaandeel; krimpen van de markt dwingt dan tot samenwerking om de markt te verdelen. Zoals minister Sakaiya zelf in zijn tijd als commentator over de Japanse economische structuur schreef: ,,Het systeem van bureaucratische leiding maakt zelfs een grotere bescherming van producenten noodzakelijk om overproductie te elimineren.'

Afgelopen maand duidde econoom Jesper Koll, lid van een adviesraad van de Japanse regering, tijdens een lezing in Tokio het huidige beleid van de regering als ,,financieel socialisme'. Koll wees bijvoorbeeld op de verdubbeling van overheidsgaranties voor leningen, waarmee de regering probeert faillissementen bij het midden- en kleinbedrijf en een groei van de werkloosheid tegen te gaan. De overheid garandeert momenteel 12 procent van alle uitstaande leningen van de banken, zegt Koll, en ,,betaalt nu 40 procent van de loonkosten van het midden- en kleinbedrijf. Dit vertraagt aanpassingen.' Daarnaast wees hij op de groei van activa van de centrale bank ten opzichte van de gewone banken, het uitermate grote aandeel van overheidsinvesteringen in de totale economie en de groei van de rijkspostspaarbank, omdat spaarders zich zorgen maken over het voortbestaan van particuliere banken. De gelden die de rijkspostspaarbank verzameld worden beheerd door het ministerie van Financiën en vergroten dus weer de rol van de overheid.

Sakaiya zelf laat de invloed van socialistische ideeën op Japan op een aardige wijze doorschemeren door tijdens het twee uur durende gesprek slechts één westerse econoom – meerdere malen – aan te halen: Karl Marx. Desondanks, meent Sakaiya, is de tijd voor een omslag gekomen. Naast ,,gelijkheid, veiligheid en efficiëntie' dient ,,vrijheid' nu als ,,vierde principe van rechtvaardigheid', zoals Sakaiya het noemt, een centrale plaats te krijgen in de Japanse samenleving. De bevolking moet worden aangespoord zelf risico te nemen en niet langer levenslang te vertrouwen op één werkgever, wiens bestaan de overheid garandeert. Zoals gezegd ziet Sakaiya her en der ,,erupties' van deze nieuwe denktrant, maar moet de ,,vulkaanuitbarsting' nog komen. Gevraagd naar de concrete vorm van deze uitbarsting haast Sakaiya zich te zeggen dat het slechts in overdrachtelijke zin is bedoeld: het volledige doordringen van de nieuwe denkwijze in de samenleving.

Het laatst gepubliceerde onderzoek van zijn Planbureau naar de staat van de economie geeft echter een aanduiding van een mogelijk concretere `uitbarsting'. Het bedrijfsleven heeft 2,3 miljoen overtollige werknemers, aldus het EPA, en als die morgen op straat worden gezet zou het werkloosheidspercentage groeien naar ruim 8 procent. Dit cijfer mag naar Europese maatstaven meevallen, maar zou voor Japan een grote schok zijn omdat de overheid het sociale vangnet juist heeft uitbesteed aan het bedrijfsleven. Daarom heeft de overheid moeite met grote faillissementen en het bedrijfsleven met gedwongen ontslagen. Daarom zijn zoveel overtollige werknemers nog altijd in loondienst. Dit systeem per decreet afschaffen zonder uitzicht op verbetering van de economie zou de regeringspartij een gegarandeerd verlies opleveren bij de stembus.

Correctie:

In het artikel Japan: vulkaan met `wekelijkse erupties' (in de krant van dinsdag

10 augustus, pagina 11) stond dat Sakaiya, als topman van het planbureau,

begin jaren negentig structurele corruptie een integraal deel van de Japanse

samenleving noemde. Sakaiya was echter in die tijd nog onafhankelijk commentator.

    • Hans van der Lugt