Bossche Tijden

Ze stond in het niemandsland tussen autoweg en fietspad en ze had een zelfgemaakt zonnehoedje op. Voor de grap maakte ze tegen mij als fietser het liftgebaar, waarmee ze vergeefs naar de traagfilerende automobilisten had gezwaaid. ,,Spring maar achterop'', riep ik, mij vaag bewust dat dit het libretto was voor een aria waarvan de melodie mij ontschoten was. Zij sprong achterop en legde direct haar rechterarm om mijn middel alsof wij al vijf jaar verloofd waren.

,,Waar ga je naar toe?''. Vroeg zij mij dit of vroeg ik haar dat? Ik herinner het mij niet precies meer. In ieder geval wilde zij `naar Den Bosch toe'. Dat deuntje kende ik wel en ik zei mijn zoete lieve gerritje dat ik daar toevallig ook heen wilde om in het Goudenhakjes-Museum de hoed van de dame van Jan Sluiters te bewonderen, ,,die ken je natuurlijk wel''. ,,Die hakjes, die hoed, die dame, of Jan Sluiters?'', wou ze weten.

Ik was helemaal niet van plan geweest `s Hertogenbosch aan te doen, want wie het IJsselmeer omfietst, heeft daar niets te zoeken. Maar ik trapte door en om half vier stonden we aan de voet van de Sint Jan waar een piramide in het marmer het wandelgebied afzet. Gerritje sprong over de piramide, want ze moest snel naar haar moeder om me te melden dat ze haar ``vaste verkering van vijf jaren'' had opgezegd, ,,en mam vond het altijd zo'n ideale schoonzoon''.

Ik weet dat ik nooit ideale schoonzoon zal zijn, maar sprak toch met haar af, om tien uur in café De Vergulde Schroef.

In het museum zag je door elk raam een koele binnenplaats liggen met tafeltjes onder het lommer. Ik spoedde me dus langs molentjes en dametjes van Mondriaan, Bruegel, Van Gogh en Sluiters en zocht de tuindeur. De mevrouw van de dranken was net aan het afsluiten en zei op een toon van `Dat had u zelf wel kunnen bedenken': ,,Ik sluit om vier uur, anders ben ik nooit op tijd thuis''. Ik was te laat maar mocht wel in de tuin zitten dorsten.

Dan maar naar de kathedraal. Bij het koor aangekomen, sloot de man een zwaar ijzeren hek, zeggende: ,,Als de bisschop me opslag geeft, dan blijf ik langer open, maar nu moet ik naar huis''. Ik zocht een terrasje en vond schuin tegenover de Hervormde Kerk een steegje gevuld met lege tafeltjes en stoelen. Was ik te vroeg? Nee, daar kwam de uitbaatster mij al zeggen dat ik te laat was, want ze moest naar huis. Dan maar een hotel zoeken.

,,U bent nu te laat voor een eenpersoonskamer'', zei de hotelier. Ik had daar ook niet naar gevraagd en was blij met mijn tweepersoonskamer met uithoor op de klok van de Sint Jan en met schoenpoetsmachine op de gang.

Om kwart over tien — je moet nooit aandringerig lijken — betrad ik met gepoetste schoenen De Vergulde Schroef. Mijn liftmeisje zat er al. Ze stelde me voor aan ,,Sjef, die ik net heb leren kennen''. In Den Bosch kom je altijd een kwartier te laat, maar in mijn geval was ik twintig jaar te laat. Ach, zonder zon en zonnehoedje was ze minder ravissant. Je kan iemand die bij je achterop zit, niet goed bekijken. Sjef bleek een charmante wildeman, maar ik bleef niet lang omdat ik weer vroeg op de fiets wou.