Het grote kwaad

Het begon met een faux pas. Dat geldt ongetwijfeld voor de menselijke existentie in het algemeen, maar gisteren ook voor de aflevering van Zomergasten in het bijzonder. Die zou gaan, zo vertelde een sonore VPRO-stem, over `Het kwaad in al haar verschijningsvormen'. Hier volgt geen peroratie over deze grammaticale uitglijder. Het is altijd een beetje dwaas om raad te geven, en goede raad geven is volstrekt onvergeeflijk. Van belang is slechts dat het avondvullende praatprogramma een kort moment toch nog zorgde voor een vertederde glimlach. Slechts een kort moment, want als televisiekijker is men allang logopedisch gezandstraald door de dagelijkse overdosis aan eigentijds taalgebruik. Dankzij de afstandsbediening weten we immers dat de moderne cultuur bestaat uit zaken die men helemaal niet wil zien, niet wil horen en niet wil weten, doch slechts uit lafheid verdraagt. Er zijn, zo beseft men na uit louter plichtsbesef op een zondag in augustus kennis genomen te hebben van een herhaling uit de reeks Van Gewest tot Gewest uit 1995, een herhaling van de hoogtepunten uit De Zondagavond van BNN, een herhaling van het muziekprogramma Lalala Live uit 1997 en een nachtlang durende herhaling van het journaal voorgelezen door Marga van Praag, in Nederland verontrustender zaken aan de hand dan de verharing van de moedertaal.

Ondanks dat het ging over `het kwaad in al haar verschijningsvormen' was het gesprek van Adriaan van Dis met Tom Lanoye nogal onderhoudend. Misschien zelfs verrassend onderhoudend, omdat Lanoye, van wie gehoopt werd dat hij `bijtende humor en pittige uitspraken' zou leveren, zich ontpopte als een oprecht aarzelende, licht ontroerde - zelfs enigszins sentimentele - niet overdreven diepgravende maar volstrekt façadeloze veertiger. Ik moet zeggen dat deze Lanoye beter beviel dan zijn culturele alter ego, die zo langzamerhand tijdens optredens en in zijn literaire ondernemingen een enigszins routineuze exaltatie tentoonspreidt. De fragmenten die hij liet zien, kwamen merendeels uit zijn eigen achtertuin: een gladde televisiereclame voor het Vlaams Blok, een Brussels relletje over een kunstwerk van aardappelschillen door Wim Delvoye, de tragikomische begrafenis van het Belgische wielertalent Jean-Pierre Monseré, het incident met Lumumba tijdens de machtsoverdracht in Congo, de begrafenis van koning Boudewijn, Marvin Gaye die afkickt in Oostende, de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog in West-Vlaanderen, en de ouders van een door Dutroux vermoord kind die op school lessen in rechtvaardigheid geven.

Lanoye probeerde als thema `het grote kwaad' zichtbaar te maken, maar opperde voortdurend zelf interessante grijstinten, opmerkelijke omdraaiingen en persoonlijke nuances. Aardiger misschien nog was het gemak waarmee hij met zijn volstrekte onopgesmuktheid Van Dis overspeelde. Die was niet op z'n best, en bleef enkele malen zelfs tamelijk pijnlijk hangen in het prikkeldraad van platitudes. Cultureel correct bedoelde opmerkingen zoals `kunst staat toch boven politiek, alle politiek is gesjoemel' (`er zijn ook eerbare compromissen', riposteerde Lanoye onbewogen), `friet, wielrennen en vreemdelingenangst, de drie Vlaamse clichés' (`neen, het is de werkelijkheid', antwoordde Lanoye droog), `dit is een middenstandersmentaliteit' (`ik kom uit een middenstandersgezin; dat is voor mij een geuzenterm', meende de schrijver) en `het lijkt me zo raar om geaaid te worden door een vader met bloed onder z'n nagels' (`mijn vader was slager en ik vond hem geweldig', zei de performer), zullen de herhaling van zijn hoogtepunten waarschijnlijk nimmer halen.

,,Het klinkt alsof je van een heel ver land komt'', verzuchtte Van Dis tenslotte. En daarmee ging deze Zomergasten op een zonderlinge wijze ook over ons eigen blikveld, dat dermate kosmopolitisch is dat wij ons niet meer kunnen voorstellen dat er voorbij Lobith een wereld vol dilemma's en paradoxen bestaat. ,,Ik zou me te pletter vervelen in Nederland'', diagnosticeerde Tom Lanoye het geestelijk lijden van onze tijd. En daarvoor had hij niet eens een afstandsbediening nodig.

Een esthetisch protest aanheffen, zoals Stefan Zweig deed, helpt niet. Standaardisering dient het gemak, en dat mensen daarop gesteld zijn, is ze niet kwalijk te nemen. Klederdrachten zijn schilderachtig, maar weinig comfortabel, en cola is nu eenmaal goedkoper en beter houdbaar dan papajasap. Dit is een kant van de wereldcultuur die er ook zonder Amerika zou zijn gekomen. De staat die jarenlang als tegenvoorbeeld gold, de Sovjet-Unie, was nog veel eentoniger.

    • Bastiaan Bommeljé