Eindelijk wappert de vlag voor Indië

,,Te controversieel'', aldus de Japanse ambassadeur over een dit weekend geopende expositie over de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in het Rijksmuseum. En dat terwijl de Japanse agressie meer dan ooit wordt gerelativeerd.

Voor het eerst wordt aanstaande zondag in Nederland nationaal herdacht dat de Tweede Wereldoorlog pas echt eindigde op 15 augustus 1945, met de capitulatie van Japan. Het kabinet besloot in april dat 15 augustus voortaan een historische dag is met dezelfde status als 4 en 5 mei. Indische belangenorganisaties hebben hier lang voor gepleit. Sinds 1988 is er het Indische monument in Den Haag, maar de herdenking op 15 augustus miste tot nu toe een nationale status.

Een mooi succes voor de `memory activists', vond de Amerikaanse professor Carol Gluck tijdens de door het NIOD georganiseerde conferentie `Beelden van de Japanse bezetting in Indonesië', afgelopen zaterdag in het Rijksmuseum in Amsterdam. Heel fijn dat de Nederlandse vlag op 15 augustus zal wapperen. Maar, zo voegde zij er enigszins vilein aan toe, hoe lang duurt het nog voordat in Nederland de Indonesische vlag zal wapperen op 17 augustus, ter herdenking van de Indonesische onafhankelijkheid?

Met instemmend gelach maakten de toehoorders, overwegend ouderen met een Indië-verleden, duidelijk dat ze zo'n geintje wel konden hebben. De radicalen en verbitterden waren thuisgebleven, blauwe blazers met lintjes waren er nauwelijks. Dit publiek was geïnteresseerd in het doorbreken van een eenzijdig Nederlands perspectief.

Juist dat is ook de opzet van de expositie `Nederlanders-Japanners-Indonesiërs. De Japanse bezetting van Nederlands-Indië herinnerd', die aansluitend op de conferentie werd geopend. In een poging om te ontsnappen aan vastgeroeste nationale mythes toont de expositie de beeldvorming van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) in de drie landen die daarbij betrokken waren.

Niet de gebeurtenissen zelf staan centraal, maar de wijze waarop in Indonesië, Japan en Nederland de herinnering aan deze periode vorm heeft gekregen. Steeds geldt daarbij het onderscheid tussen de herinneringen van individuen en het collectieve geheugen. Bijvoorbeeld: het bestaan van `troostmeisjes', het eufemisme voor gedwongen prostitutie in door Japan bezet gebied, was bij velen bekend, maar kwam pas begin jaren negentig echt naar buiten. De kwestie heeft zich verplaatst van de individuele naar de publieke herinnering.

Met het organiseren van expositie en conferentie, en de uitgave van een begeleidend boek, steken NIOD en de mede-verantwoordelijke Stichting 400 jaar Nederland-Japan hun nek uit. Niet iedereen is immers gecharmeerd van geschiedschrijving die elk verhaal even serieus neemt, die weigert zich boven de partijen te stellen, en die het leed van de agressors net zoveel ruimte geeft als dat van de slachtoffers. Aandacht voor dubbelzinnigheden in de geschiedenis is een ,,westers modeverschijnsel'', aldus Remco Raben, NIOD-medewerker en conferentie-organisator. Voor vertolking van het Indonesische en Japanse perspectief moesten dan ook wetenschappers uit Amerika overkomen.

Relativering van de Japanse wreedheid is een onvermijdelijk neveneffect van de drie-landen-benadering van het NIOD. Curieus genoeg komt het verzet tegen de expositie vooralsnog alleen van Japanse zijde. De Japanse ambassadeur liet zaterdag verstek gaan, volgens zijn politiek raadsman Yamamoto omdat conferentie en boek ,,te controversieel'' zijn. Yamamoto: ,,Te veel gevoelens worden gekwetst, daar wil onze regering niet bij betrokken raken. Zo hebben Nederlandse oorlogsveteranen moeite met het gebruik van `Indonesië' in plaats van `Nederlands-Indië' en wordt Indonesië gekwetst door de suggestie dat Soekarno en Hatta met Japan hebben gecollaboreerd.'' Pas na doorvragen noemt Yamamoto gevoeligheden in Japan, zoals de rol van Hirohito en het aanbieden van excuses van Japan aan het Westen, kwesties die op de expositie ook aan bod komen. Dit staat Japanse steun echter niet in de weg. ,,Deze expositie werd door ons gesteund met 25.000 gulden, twee procent van het totale budget. Gemiddeld krijgt het NIOD één miljoen gulden per jaar van de Japanse regering voor onderzoek. Daar staan we nog steeds achter, dat zullen we blijven doen.''

Naast wetenschappers spraken `ervaringsdeskundigen' uit elk van de drie landen zaterdag over hun ervaringen. Namens Japan sprak Sadao Oba (77), die met zijn dagboeken over zijn naoorlogse internering op Java – de laatste Japanse krijgsgevangene verliet Indonesië pas in mei 1947 – ook heeft bijgedragen aan de expositie. Oba kwam op eigen initiatief naar Amsterdam met twee vrienden, onder wie Nobuo Ikegami, voormalig kampcommandant van het Sumatraanse kamp waar schrijver Rudy Kousbroek geïnterneerd was.

Het drietal had gehoopt Kousbroek in Amsterdam te ontmoeten, maar deze toonde zich in een artikel in deze krant zeer verbaasd omdat hij niets van de conferentie had gehoord. Kousbroek, omstreden in veteranenkringen vanwege zijn relativering van het kampleed, schreef dat het NIOD geen contact met hem had opgenomen. Onzin, volgens Raben. ,,Net als alle andere relaties van het NIOD heeft Kousbroek een uitnodiging ontvangen. We wilden hem niet als spreker, omdat we eens een ander geluid wilden horen. De reacties op zijn standpunt, dat ik overigens deel, zijn volledig uitgekristalliseerd, dat is niet zo interessant meer. Zijn reactie lijkt me een geval van gekwetste ijdelheid.''

De Nederlandse ervaring werd vertolkt door Jan Lechner, emeritus-hoogleraar uit Leiden, die zich allerminst haatdragend jegens Japan toonde. Nog dagelijks denkt hij aan zijn kampervaringen, maar van trauma of rancune is geen sprake. De teneur van zijn verhaal is die van expositie, conferentie en boek: redelijkheid en begrip. Het is alsof Nederland, na de naoorlogse decennia van verzwijgen en de daarop volgende jaren van getuigenissen en slachtofferschap, nu pas oog krijgt voor de andere kant van de oorlog: aardige Japanners bijvoorbeeld, of wrede Nederlanders na de bevrijding. Altijd stonden de kampervaringen centraal, pas nu wordt gekeken naar de vele Nederlanders die in de oorlogsjaren buiten de kampen leefden. De tijd lijkt rijp voor een nieuwe fase in de collectieve herinnering.

    • Mark Duursma