Chinese introvertie vermoordt tafeltennis

Oud-tafeltennisster Bettine Vriesekoop is de eerste van drie gastschrijvers die de komende weken een sportevenement verslaan. Vriesekoop verbaasde zich bij de WK tafeltennis in Eindhoven. `Onvoorstel- baar dat ik het twintig jaar heb volgehouden in dat circus.'

In mijn lange loopbaan heb ik helaas nooit de kans gehad een wereldkampioenschap in eigen land te spelen en mede om die reden was het nogal bizar om zo'n evenement, in zwangere toestand nog wel, vanaf de tribunes te moeten volgen. Als speelster kon ik mij afzonderen, maar in burger is er geen excuus en onophoudelijk werd ik dan ook aangesproken. Misschien had ik een bordje op mijn buik moeten hangen met de tekst: `Nog twee maanden'. Nee, het begint niet te kriebelen, behalve in letterlijke zin dan.

Toen ik op de VIP-tribune tussen allerlei hotemetoten voorgesteld werd aan een oude, voorname Engelsman genaamd Johnny Leach, besefte ik plotseling dat ik beland was in de galerij van oude spelers die onder de aanstormende jeugd spoedig geen bekendheid meer zullen genieten. Ik was trots plaats te mogen nemen naast deze levende legende uit de jaren vijftig die tijdgenoot was van Cor du Buy en die qua reputatie niet veel onder deed voor de latere ster Jan Ove Waldner. Met een Kroatische journalist concludeerde ik dat de huidige jeugd alle feeling met het verleden heeft verloren. Wellicht moeten trainers jonge talenten in dat opzicht opvoeden door verplichte theorielessen en examens in te stellen zodat de kinderen met meer diepgang hun sport beleven.

Oud-wereldkampioen Leach en ik waren het eens. De voornaamste reden voor de vervlakking in het Europese tafeltennis is het voor elke wedstrijd plakken van de rubbers waardoor, zonder doeltreffende techniek, toch een katapultachtige snelheid aan de bal kan worden meegegeven.

Grondlegger van dit `turbotafeltennis' is de Joegoslaaf Dragutin Surbek, bijgenaamd de Tijger van Zagreb. Op de WK in 1981 in Novi Sad baarde Surbek opzien door een slaghout te hanteren dat bij elke bal een vreemdsoortig pokgeluid produceerde. Met fietsbandlijm smeerde hij zijn rubbers in en om zijn geheim te bewaren, prepareerde hij zijn mysterieuze bat op het toilet. Door de penetrante geur die opsteeg uit de kleedkamer werd al snel duidelijk waarom Surbek op betrekkelijk hoge leeftijd nog in staat was de bal zoveel extra spin en snelheid mee te geven.

De toenmalige Europese generatie bleek daarna in staat de tot dan schier onoverbrugbare kloof tussen Europa en China te dichten. Spelers als Waldner, Persson en Gatien, die opgeleid waren zonder de `klapschaatslijm', kregen vleugels doordat ze hun fabelachtige anticipatievermogen en gedegen techniek konden koppelen aan een tot dan toe onbereikte snelheid.

Hoewel ik pas een jaar geleden, op de Europese kampioenschappen in hetzelfde Eindhoven, mijn laatste toernooi speelde, was het alweer vier jaar geleden dat ik een WK van dichtbij meemaakte. In vier jaar kan, zeker in de topsport, veel gebeuren. Maar vanaf de zijlijn moest ik constateren dat de huidige Europese generatie op haar laatste benen loopt en dat een jonge lichting zich vooralsnog niet aandient om in de toekomst een serieuze bedreiging te vormen voor de wel doorkomende Chinese jeugd. In China is de wonderlijm niet op elke hoek van de straat verkrijgbaar en waar de Chinese topspelers effectvollere, hardere, maar daarentegen langzamere rubbers op latere leeftijd wel mogen plakken, wordt het de Chinese jeugd verboden hun techniek te verwaarlozen door gebruik van chemisch turbospul.

Variatie en techniek blijft de basis van het Chinese geheim en dat is ook precies de reden waarom de Chinese vrouwen al jaren domineren en waarom ook de Chinese mannen in de toekomst weer volledig zullen heersen. Wat betreft de vrouwen is er wat de krachtsverhoudingen betreft de afgelopen twintig jaar weinig veranderd. De Europese speelsters worstelden in Eindhoven nog steeds met de vraag hoe een antwoord te vinden op de oneindige variatie aan materialen, technieken en speelstijlen van niet alleen speelsters uit de Volksrepubliek, maar ook uit alle andere landen die – al dan niet uit gemakzucht – hun teams hebben versterkt met uitgeweken Chinese broodspeelsters.

Met uitzondering van een enkeling is het Europese vrouwentafeltennis één grote eenheidsworst van fantasie- en karakterloze speelsters. Om antwoord te vinden op het Chinese geweld is het voor de Europese vrouwen zaak op jonge leeftijd dagelijks met dit soort moeilijke tafeltennisvraagstukken geconfronteerd te worden, zodat aanpassing en creativiteit vanzelfsprekend worden. Zelf heb ik gemerkt dat één of twee maanden genoeg was om – weliswaar tijdelijk – aansluiting te vinden met het Chinese niveau.

Over de ondoorgrondelijkheid van het Chinese spel is in het verleden veel gespeculeerd. Maar tijdens mijn trainingsbezoeken aan China heb ik gemerkt dat aan hun kracht tegelijk een simpele en gecompliceerde reden ten grondslag ligt. Dankzij een onverbiddelijke hiërarchie kunnen zij putten uit een enorm reservoir aan sparringpartners. Elke Chinese trainer heeft dezelfde opvatting over het aanleren van technieken, conditietraining en periodisering. Meningsverschillen zijn volgens de coaches tijdverspilling. Het communisme predikt nog steeds gelijkheid, maar in de praktijk maakt die eenvormigheid juist plaats voor een grote verscheidenheid en variatie.

De Chinese spelers, die jarenlang geïnterneerd zijn, ontwikkelden al ver voordat Mao de sport hoogstpersoonlijk bevorderde, een grote diversiteit aan stijlen zodat veelvuldige confrontaties eenvoudig noodzakelijk zijn om hen te verslaan. In cruciale fasen lijkt hun hoofd van basalt en kunnen vooral de Chinese vrouwen kiezen uit vier of vijf achtergehouden servicevarianten. Qua denken en spelen zijn ze even ondoorgrondelijk als onbewogen. Zelf heb ik me er vaak op betrapt dat mijn gedachten tijdens wedstrijden te veel afdwaalden. Maar even vaak kwam het voor dat ik me te veel focuste op winst waardoor verkramping het onvermijdelijke gevolg was.

De Chinezen zijn in staat een bijna griezelige balans te vinden tussen spanning en ontspanning. In Nederland zouden we het onverschilligheid noemen. Tijdens stages in Peking heb ik gezien dat speelsters tijdens balwisselingen onbekommerd in gesprek gaan met collega's op belendende tafels zonder daar noemenswaardig door te worden afgeleid. Volledige concentratie wordt na een balwisseling afgewisseld met een optimale ontspanning en wat voorbij is, wordt ook bijna taoïstisch als voorbij beschouwd. Gevoelens worden, mede door hun cultuur waarin het individu genegeerd wordt, volkomen weggefilterd en dood gemaakt.

Tafeltennis is boven de materie staan en kleine gedragingen en gedachten hebben grote gevolgen. Het was een groot contrast. De Chinese Wang Nan die onaangedaan leek na het binnenhalen van haar eerste wereldtitel en Danny Heister, die alsof hij zojuist hetzelfde had bereikt al in de tweede ronde naar de grond zeeg om zijn overwinning te vieren.

Al sinds de `open deur politiek' van Deng Xiao Ping geniet China economische vrijheid en gezien het feit dat ideologie heeft plaatsgemaakt voor westers materialisme, is het op zijn minst vreemd te noemen dat de Chinese tafeltennisploeg haar naar binnen gerichte attitude kan handhaven. Van hogerhand worden ze, net als in het vroegere keizerrijk en in de dogmatische, communistische periode, nog steeds op militaristische wijze gedrild. Zonder het gevecht met hun ego aan te gaan, strijden ze voor volk, vaderland en sinds kort dollars.

De enige WK, die ik tot nu toe passief had bijgewoond, waren die in Dortmund, precies tien jaar geleden. Het was een merkwaardige ervaring die ik, zo vlak na mijn aangekondigde afscheid tijdens de Olympische Spelen van Seoel, nauwelijks wist te plaatsen. Jarenlang had ik immers zelf in die carrousel meegedraaid. Ik kan me herinneren dat ik zelfs zo onwennig was door die situatie dat ik in het programmaboekje wilde kijken tegen wie ik geloot had.

In Eindhoven voelde ik niet de minste behoefte een batje ter hand te nemen. Het viel mij de laatste dagen zwaar geboeid te blijven. Slenteren en open staan voor alles is, zeker in mijn huidige mentale en fysieke toestand een slopende aangelegenheid. Ik vond het soms een tamelijk droevig tafereel. Spelers die met hun tas over de schouder als vee richting eetzaal, hotel en speelzaal sjokken. Onvoorstelbaar dat ik het twintig jaar heb volgehouden in dat circus.

In drie maanden een mega-evemenent neerzetten, dan mag je eigenlijk geen kritiek uitoefenen. Lofwaardig was de Nederlandse organisatie, maar toch moet ik concluderen dat het een nogal ridicuul gezicht was in welke mierenhoop van tafels de eerste dagen toptafeltennis moest worden bedreven. Sinds jaar en dag mag van de ITTF ieder huis-tuin-en-keukenpingpongland zich inschrijven voor de WK zodat het kan gebeuren dat in kwalificatieronden Chinese toppers gekoppeld worden aan spelers die nauwelijks een batje vast kunnen houden.

Daar tegenover staat de Chinese monopoliepositie in zowel het congres van de ITTF als in het spelerscircuit. In elke, andere tak van sport zou het ondenkbaar zijn dat één land maar liefst acht of tien spelers kan inschrijven voor een individueel toernooi. Het publiek kan zich niet meer identificeren, omdat bijna elk ander land ook nog eens beschikt over een Chinese huurling van niveau. Op televisie hoorde ik de Canadese voorzitter van de ITTF, Adam Shahara, verklaren dat de regel ten aanzien van het adopteren van zogenaamde Chinese immigranten niet aangepast dient te worden, maar dat de Europese spelers zich dienen op te trekken aan het niveau van hun Chinese `gastspelers'.

Bondscoach Peter Engel werd enige tijd geleden direct geconfronteerd met deze vorm van Chinese `mensenhandel', toen een Chinese official hem een videoband aanbood van een twaalfjarig meisje in opleiding. In ruil voor Amerikaanse dollars bood hij de Nederlandse coach aan het meisje te kopen zodat zij binnen twee jaar met een Nederlands paspoort een versterking voor zijn team kon betekenen. Tafeltennis is exportproduct nummer één geworden in China. Maar als in de toekomst geen paal en perk zal worden gesteld aan de Chinese eenzijdigheid en introvertie zal dat binnen afzienbare tijd de doodsteek voor het tafeltennis betekenen.