Bundeswehr moet klein beroepsleger zijn

Ondanks de succesvolle inzet van Duitse troepen in Kosovo is de Bundeswehr niet toegerust voor crisisbeheersing buiten het NAVO-verdragsgebied.

C. Homan meent dat dit wel mogelijk is als de Bundeswehr verandert in een klein beroepsleger.

Het Amerikaanse weekblad Newsweek noemde het een ploeg stuntelende amateurs die was veranderd in een stel vastbesloten haviken. Het tijdschrift doelde hiermee op het assertieve politieke optreden van de Duitse rood-groene coalitieregering tijdens het Kosovo-conflict. Bovendien kan deze coalitie op haar conto schrijven dat Duitse troepen voor het eerst sinds 1945 deelnamen aan offensieve militaire operaties tegen een soevereine staat.

Decennialang gold de inzet van Duitse troepen in het buitenland als een taboe. Zo voelden de Duitsers er niets voor om soldaten te leveren voor de Golfoorlog in 1991. De toenmalige Amerikaanse president George Bush stuurde hierop een rekening van elf miljard mark. Pas onder internationale druk nam de bereidheid toe om aan internationale missies mee te doen, zoals in Somalië en Cambodja. In de Bondsrepubliek leidde dit telkens tot hevige debatten, in het bijzonder over de grondwettelijke basis van die inzet. Het Constitutionele Hof in Karlsruhe hakte in 1994 de knoop door met de uitspraak dat deelname aan internationale vredesmissies niet in strijd is met de Grondwet. Bosnië en Kosovo hebben de Duitsers inmiddels duidelijk gemaakt dat militaire macht soms noodzakelijk is voor het voorkomen van genocide en wijdverspreide schendingen van mensenrechten.

De vraag is echter of de Bundeswehr wel is toegerust voor de nieuwe veiligheidssituatie. De structuur van de Duitse strijdkrachten is namelijk nog steeds ingericht volgens het Koude-Oorlogsscenario van een bedreiging van het eigen grondgebied. Deze nadruk op de klassieke missie van territoriale verdediging spoort niet langer met de strategische oriëntatie van Duitslands belangrijkste partners, zoals Frankrijk en Engeland, maar ook niet met die van Nederland. Duitsland concentreert zich immers het meest op de minst waarschijnlijke dreiging en het minst op de meest waarschijnlijke taken, namelijk conflictpreventie en crisisbeheersing buiten het NAVO-verdragsgebied.

Want wat zijn immers de feiten? De Bundeswehr heeft in vredestijd een omvang van 334.000 militairen. De kern hiervan bestaat uit zogenoemde `algemene strijdkrachten' die 284.00 militairen telt. Deze algemene strijdkrachten - vooral die van de landmacht - vormen overwegend een opleidingsinstituut dat reservisten produceert die onder dreigende oorlogsomstandigheden opgeroepen kunnen worden. Na volledige mobilisatie beschikt de Bundeswehr over 680.000 militairen. Hun hoofdtaak is de bescherming van het Duitse grondgebied. Daarnaast beschikt de Duitse krijgsmacht over parate `crisis-reactiestrijdkrachten' (Krisenreaktionskraften) bestaande uit 50.000 militairen. Dit betekent dat slechts zo'n vijftien procent van de Duitse krijgsmacht inzetbaar is voor crisisbeheersingsoperaties buiten het eigen grondgebied. Bovendien hebben de crisis-reactiestrijdkrachten belangrijke tekorten aan gespecialiseerd personeel op het gebied van logistiek, verbindingen en medisch personeel.

De Duitsers beschouwen hun grote mobilisatie-capaciteit - die alleen dankzij de militaire dienstplicht mogelijk is - als een garantie om nieuwe dreigingen in Midden-Europa het hoofd te kunnen bieden. Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en toekomstig Europees Commissaris, Gunter Verheugen, verwoordde het in een toespraak aan het begin van de luchtaanvallen tegen Servië eind maart nog als volgt: ,,Duitsland vormt met zijn strijdkrachten de hoeksteen van de verdediging van de alliantie. Na complete mobilisatie leveren wij met onze 680.000 soldaten de sterkste NAVO-strijdkrachten in Midden-Europa. Onze mobilisatiecapaciteit, gebaseerd op algemene dienstplicht, is reeds in vredestijd een belangrijke factor voor stabiliteit op ons continent.''

Bij de grote steun voor een kader-militiekrijgsmacht spelen ook binnenlandse factoren een rol. De Duitse regering stelt dat een sterke correlatie bestaat tussen de structuur van de Bundeswehr en haar integratie in de Duitse maatschappij. Jaarlijks dienen meer dan 110.000 dienstplichtigen gedurende een periode van tien maanden. De dienstplichtige kan vervolgens nog twee tot dertien maanden nadienen en dan eventueel op vrijwillige basis bij de crisis-reactiestrijdkrachten ingezet worden in operaties buiten het NAVO-verdragsgebied. Voor Duitse jongelingen met gewetensbezwaren tegen de militaire dienstplicht bestaat de mogelijkheid een alternatieve civiele dienstplicht van dertien maanden te vervullen. Aangezien een beroep op gewetensbezwaren in de praktijk slechts een formaliteit is, maken jaarlijks niet minder dan zo'n 130.000 jonge Duitsers gebruik van deze mogelijkheid. Een belangrijk deel van de Duitse welzijns- en sociale sector is dan ook afhankelijk van deze goedkope `sociale dienstplichtigen'.

Het tegelijkertijd instandhouden van een groot kader-militieleger en het willen investeren in moderne bewapening met een defensiebudget dat voortdurend daalt, blijkt in de praktijk echter moeilijk verenigbaar. Tot 1990 besteedde Duitsland ongeveer drie procent van het BNP aan defensie. Vorig jaar is dat gedaald tot 1,5 procent. Alleen België, Spanje, Canada en Luxemburg besteden een kleiner percentage aan defensie dan Duitsland. Vergeleken met 1990 zijn de investeringen in militair materieel zelfs bijna gehalveerd. Bovendien heeft bondskanselier Schröder onlangs voor de komende drie jaar een jaarlijkse bezuiniging bij de overheid van 30 miljard mark aangekondigd. Het defensiebudget van 45,3 miljard mark wordt daarmee 3,7 procent lager dan de vorige regering voor defensie had uitgetrokken in haar middellange termijnplan. De Bundeswehr dreigt op deze wijze onvermijdelijk een hollow force te worden.

Teneinde een oplossing te vinden voor alle problemen heeft minister van Defensie Rudolf Scharping op 3 mei jl. een commissie van onafhankelijke deskundigen geïnstalleerd, die in september 2000 haar bevindingen moet rapporteren over de toekomst van de Bundeswehr.

De vraag is of Scharping deze tijd wel gegund is. Nu Duitsland naast zijn deelname met 2.500 militairen aan SFOR in Bosnië ook 8.500 militairen bijdraagt aan KFOR in Kosovo, heeft Scharping al besloten de crisis-reactiestrijdkrachten met 13.000 militairen uit te breiden en de uitzendtermijn van vier tot zes maanden te verlengen. Hier is echter slechts sprake van een noodverband.

In feite staan de Duitse beleidsmakers voor de fundamentele keuze tussen het handhaven van de huidige structuur van de Duitse strijdkrachten - die echter niet gefinancieerd kan worden met een voortdurend dalend defensiebudget - of evenals de Franse en Britse strijdkrachten over te gaan op kleinere maar professionele strijdkrachten die snel inzetbaar zijn voor operaties op langere afstand. Met het oog op de nieuwe taken van de NAVO en de ontwikkeling van een Europese defensiecapaciteit lijkt een keuze voor het laatste onvermijdelijk. De beslissing van Schröder om Scharping niet als secretaris-generaal van de NAVO naar Brussel te laten gaan vanwege de radicale hervormingen die de bondskanselier in de Bundeswehr nodig acht, duidt hier al op, maar dit vereist wel een omslag in het denken bij het Duitse militaire establishment.

Generaal-majoor der mariniers b.d. mr. drs. C. Homan is verbonden aan het Instituut Clingendael.