Vader dronk al

Nederland telt meer dan 650.000 personen die dagelijks meer dan acht glazen alcohol nuttigen. De helft van hen drinkt zelfs meer dan 12 glazen. Alcoholisme is moeilijk te behandelen. Slechts een minderheid van de alcoholisten zoekt professionele hulp of vindt zijn weg naar zelfhulpgroepen als de AA. Van degenen die hulp zoeken, maakt een groot deel de behandeling niet af of valt binnen enige tijd weer terug.

De vraag of drankzucht erfelijk is, houdt onderzoekers al jaren bezig. De eerste onderzoekers begonnen bij de alcoholist en zijn familie. Dronken zijn ouders ook, hoe gaat het met zijn kinderen? Op individueel niveau lijkt elke variant mogelijk: sommige notoire drinkers komen uit een nest waar nooit gedronken werd, terwijl kinderen van alcoholisten soms geen druppel aanraken vaak uit weerzin over het gedrag van de drinkende ouder(s). Kijkt men echter naar enkele duizenden families van alcoholisten, dan valt een duidelijk patroon te ontwaren. Zo komt onder de ouders en kinderen van alcoholisten drie tot vier maal zoveel alcoholisme voor als in de eerstegraads familie van niet-alcoholisten. Kinderen van alcoholisten die door niet-alcoholisten werden opgevoed houden een grote kans dat zij later alcoholist worden.

Dàt er genetische factoren in het spel zijn is dus aannemelijk. De vraag is nu: hoe zien die eruit? Is er maar één gen in het spel, of zijn het er meer? En speelt de omgeving een rol?

Eén gen voor alcoholisme is uitgesloten. De zucht naar drank is een zeer complex verschijnsel, waar een groot aantal biologische systemen bij betrokken is. In een recent overzicht van het onderzoek op dit gebied wordt gesteld dat er bij alcoholisme sprake kan zijn van mutaties in meer genen, fouten bij de expressie van normale genen, terwijl ook omgevingsfactoren een rol spelen (Journal of the American Medical Association, 26 mei). Om de erfelijkheid ervan te doorgronden zullen daarom de afzonderlijke kenmerken van alcoholisme gedetailleerd onderzocht moeten worden. Als er per kenmerk meer zicht is op de bijdrage van genetische factoren, is de volgende vraag of er kenmerken zijn die in altijd of vaak in bepaalde combinaties voorkomen.

Een voorbeeld van zo'n kenmerk is de gevoeligheid voor drank. Niet-alcoholisten voelen al na een paar glazen de werking van de alcohol. Alcoholisten voelen dan nog niks. Zij moeten veel meer achterover slaan om wat te merken. Zij zijn verminderd gevoelig voor alcohol. Dat zou een kwestie van oefening kunnen zijn, ware het niet dat veel kinderen van alcoholisten dit ook zijn nog vóór ze aan een `drankcarrière' zijn begonnen. Een onderzoek onder jonge blanke Amerikanen wees uit dat ongeveer 40 procent van de kinderen van alcoholisten verminderd gevoelig is voor alcohol. Van de kinderen van niet-alcoholisten geldt dit voor tien procent. In beide groepen werd de uitslag niet beïnvloed door de ervaring met drank. Van de kinderen van alcoholisten met verminderde gevoeligheid is 60 procent op zijn 35ste alcoholist.

Hoe ontstaat verminderde gevoeligheid? Veel wijst erop dat dit gebeurt via de invloed die alcohol op de hersenen uitoefent en dan vooral op de overdracht van signalen tussen hersencellen door neurotransmitters. De afzender van het signaal geeft een neurotransmitter af in de ruimte tussen de twee cellen. Het signaal wordt doorgegeven als op de ontvangende cel receptoren zitten die de transmitter binden. Er bestaan verschillende neurotransmitters die ieder betrokken zijn bij de overdracht van een bepaald soort signalen.

Het onderzoek bij alcoholisten spitst zich toe op genen die invloed hebben op de werking van de neurotransmitters serotonine en -aminoboterzuur (GABA). Deze transmitters spelen een rol in processen die onder andere onze emoties en stemmingen bepalen. In een voorstudie onder mensen met verminderde gevoeligheid voor alcohol bleek dat bepaalde varianten van de genen voor receptoren van serotonine en GABA vaak tegelijk voorkomen. Als dit resultaat bevestigd kan worden, is men er nog niet, want er bestaan meer receptoren voor GABA en serotonine. Onbekend is hoe die werken, terwijl storingen in de signaaloverdracht ook kunnen ontstaan door fouten in het mechanisme dat in ontvangende cel het signaal verder moet verwerken.

Daarnaast werkt alcohol ook in op de aanmaak van andere neurotransmitters, met name dopamine en noradrenaline, terwijl ook de oorzaak van afwijkende patronen in de elektrische activiteit in de hersenen van alcoholisten nog duister is.

De genen die momenteel onderzocht worden hebben alle iets met het ontstaan van alcoholisme te maken. Dat wil nog niet zeggen dat zij alcoholisme veroorzaken. Mogelijk vergroten sommige mutaties iemands kans om alcoholist te worden onafhankelijk van elkaar. Alcoholisten kunnen echter ook het slachtoffer zijn van een ongelukkige combinatie van mutaties. Zo zijn er aanwijzingen dat mensen met verminderde gevoeligheid voor alcohol meer kans hebben alcoholist te worden als zij bepaalde persoonlijkheidskenmerken hebben. Dat geldt voor mensen die snel verveeld raken of impulsief van aard zijn.

Het antwoord op de vraag in hoeverre alcoholisme erfelijk is, is van belang voor de preventie en behandeling. Het onderzoek zou er wel eens op kunnen uitdraaien dat er verschillende typen alcoholisme zijn, waarbij elk type een eigen behandelingsstrategie vergt. Daarnaast kan al vroeg begonnen worden met preventieve maatregelen voor jongeren die in de genetische gevarenzone blijken te verkeren.