Mobiele tulpen

Om je met tuinieren bezig te houden moet je een eigen tuin hebben, ofwel een huis met een tuin. Daarom is tuinieren geen activiteit voor arme mensen. Of voor mobiele. Want tuinieren impliceert, meer nog dan een huis, het idee van gebondenheid aan een ruimte. Tuinieren zonder eigen tuin bestaat natuurlijk ook, maar ik vind dat er in zo'n bezigheid iets duisters zit. De mens is immers geschapen om zijn eigen tuin te verzorgen. Mensen zonder tuin bevredigen hun tuinfantasieën met bloempotten voor de ramen of door naar televisieprogramma's over tuinieren te staren, wat tussen twee haakjes een van mijn geliefde vormen van vrijetijdsbesteding is.

Bloemen staan gelijk met geld. Daarom bloeien bloemen voornamelijk in het kapitalistische Westen. De slogan `Laten er duizend bloemen bloeien', die wordt toegeschreven aan Mao Zedong, is een vervloekte leugen. Alleen voor de rijken bloeien er duizend bloemen. Voor de armen bloeien er een of twee.

Het communisme was bekend om de dominantie van één soort bloemen. Tijdens het communisme bloeide de rode anjer. Voor de eerste mei. Voor de achtste maart, de dag van de vrouw. Een armzalig bosje anjers kostte in het communistische Moskou meer dan een fles wodka. Wodka behoorde tot de levensmiddelen, bloemen waren een luxe. Soms ook een tragedie. Ik heb namelijk een Rus gekend die in zijn kleine Moskouse flatje, gebouwd tijdens het communisme, een stormachtige passie voor bloemen koesterde. Hij kweekte paddestoelen, bloemen in potten, hij leidde klimplanten door zijn hele flat, hij had zelfs een paar aquaria met goudvissen ingebouwd (ter vervanging van tuinvijvers), totdat hij op zekere dag met zijn hele jungle van zo'n vijftig communistische vierkante meters een verdieping omlaagstortte.

Wat betreft het vroegere communistische Joegoslavië zou ik liegen als ik zei dat mijn leven bloemloos was. Ik zou ook liegen als ik zei dat de florale omstandigheden er met de komst van de democratie op vooruitgegaan zijn. Integendeel. Toch zijn twee planten, of het nu rechtvaardig is of niet, in mijn herinnering voor altijd verbonden met mijn vroegere land: de strelitzia en de ficus. Ik heb noot zoveel strelitzia's en ficussen gezien als in etalages, kantoren, bureaus en flats in mijn vroegere land. Ik heb er een aversie tegen ontwikkeld. De aanblik van een strelitzia of een ficus met stoffige bladeren vervult me tegenwoordig met afschuw.

Mijn kinderjaren heb ik doorgebracht in een huis met een tuin. Mama kweekte in de bloementuin (voor het huis) margrieten. In de moestuin (achter het huis) groeiden fruitbomen, sla, tomaten, paprika's, bonen, erwten, pompoenen en courgettes. Enkele soorten bloemen behoorden tot de voedingsmiddelen. Vlierbloemen werden gefrituurd en bestrooid met suiker, er werd op verse zoete acacia geknabbeld, een kruid met kleine bloempjes dat lekker smaakte, genaamd zuring, was de anticipatie van de toen nog onbekende kauwgom en van een rozensoort werd jam gemaakt.

In mijn kinderjaren was de tuin ook een bron van cosmetische hulpmiddelen, waar kleine meisjes exclusief recht op hadden. Rozenblaadjes werden op nagels geplakt ter vervanging van nagellak. Van madeliefjes kon je kransjes vlechten die dienden als armbanden, halskettingen en hoofdtooien. Kersen dienden als oorbellen en het sap van verse morellen als lippenstift.

Mijn arcadische kinderjaren zijn voor altijd verloren, en dat hoort ook zo. Ze hebben me definitief uit de paradijselijke tuin naar stedelijke ruimten verdreven. Ik heb maar een keer geprobeerd terug te keren, toen ik een paar jaar achter elkaar hardnekkig mijn Zagrebse balkon probeerde te veranderen in de hangende tuinen van Babylon. De bloemen hadden er geen zin in. Ze gingen liever vrijwillig dood dan te groeien op een balkon.

Nu woon ik in het `land der bloemen', maar ik wil geen eigen tuin. Een tuin is namelijk als een vingerafdruk, als een handpalm waaraan het psychogram van zijn eigenaar valt af te lezen. Een tuin is een arcadisch fantasma, het fantasma van voorgoed uit het paradijs verdrevenen. Tuinieren is het uitbeelden van herinneringen aan dat paradijs en als zodanig een zeer persoonlijke activiteit, die ideeën over schoonheid, over kunst, over de eigen status en plaats in deze wereld onthult.

Mijn naaste buren hier in Amsterdam zijn gepensioneerd. Hun kleine tuin achter het huis is niet zozeer een tuin als wel een idee over een tuin. Roze geraniums staan te bloeien in plastic potten, groene tapijttegels op cementplaten imiteren gras, op dat kunstgras staan zwijgende aardewerk kikkers en tuinkabouters netjes gerangschikt, in een plastic miniatuurvijvertje blinkt verschaald water.

Waarom mensen zo graag bereid zijn hun tuinen te laten zien, is mij een raadsel. Want aan tuinen zie je alles. Vraag iemand om je zijn tuin te tonen als je meer van hem wilt weten.

Op een keer nodigde een vrouw uit New York me bij haar thuis uit. ,,U moet mijn tuin komen bekijken'', zei ze met een stem die heel wat beloofde. De tuin was een krappe ruimte achter haar flat in het souterrain omringd door een hoge muur, nauwelijks een halve meter breed. In die smalle ruimte groeide één armzalige klimplant. Ik prees die klimplant. Mijn gastvrouw glimlachte trots.

Iedereen heeft dus zijn eigen idee over een tuin. Wat mij betreft, ik ben volkomen tevreden met plastic tulpen. Ze zijn goedkoop, licht, mobiel, ze nemen geen ruimte in, je kunt ze meenemen als je verhuist en wat het belangrijkste is, ze vragen geen speciale verzorging. Je hoeft ze alleen zo nu en dan af te stoffen.

Vertaling Reina Dokter

De aflevering van `Buitenlust' in Z van 31 juli was niet geschreven door Sarah Hart, zoals wij abusievelijk vermeldden, maar door Rudy Kousbroek. Hij was de eerste in een serie gastauteurs van deze rubriek in de zomer.