Koel en helder

Staatsbosbeheer maakt van de Springendalse Beek in Twente weer een bronbeek. Er ontstaan vlechtende stroompjes, uit het kale zand borrelt roestbruin water. De oude flora en fauna keren terug.

`Kijk hoe nat het hier is', zegt Fons Eysink van Staatsbosbeheer. ``Hier zit een prachtige limnokrene bron, waar het water vrijwel verticaal uittreedt, alsof je een tuinslang rechtop houdt. Afhankelijk van de druk komt het water soms een stukje boven het maaiveld uit en soms welt de bron ook het zand op. Het water begint te stromen en zo ontstaat een beekje.''

Staatsbosbeheer gaat de Springendalse beek in Twente, ten noorden van Ootmarsum, in oude luister herstellen. Het Springendal dankt zijn naam aan de bronbeken die er ontspringen – spring is een oud woord voor bron. Bij die bronnen begint het herstel van de waterhuishouding. De komende vijf jaar wordt rond Springendal een omvangrijk onderzoeksproject uitgevoerd, gesubsidieerd met gelden van de ICES (International Council for the Exploration of the Sea). De opgedane ervaringen worden benut voor het schrijven van een handleiding voor herstel van bronbeken en broekbossen. Voor herstel van beekdalen in Noord-Nederland is de komende jaren 25 miljoen gulden subsidie beschikbaar. De plannen sluiten aan bij het overheidsbeleid voor reconstructie van de intensieve veehouderijgebieden. Het is de bedoeling om streken met een hoge veedichtheid van elkaar te scheiden door mest- en pestvrije zones, waar ruimte is voor natuurontwikkeling.

Al in de oudheid waren bronnen heilige, maar ook enigszins griezelige plaatsen, waar kwelgeesten vertoefden en waar bezoekers in contact konden treden met de onderwereld, zoals in het sprookje van Vrouw Holle. Benamingen als Hol, Höl, Hel en Wel, Onzoel en Onland duiden op bijzonder nat en onbegaanbaar terrein.

In de erosiedalen op de stuwwal van Ootmarsum komen talloze bronnen en bronbeken voor. Bronbeken ontstaan door een permanente aanvoer van grond- of kwelwater en een zeer geleidelijke afvoer. Op de waterscheiding van de Regge en de Dinkel, waar de Springendalse beek ontspringt, liggen de circa 7.000 jaar oude grafheuvels van het Vasser Grafveld. Hier begroeven de eerste Twentse boeren hun doden. Volgens de volksverhalen spoken er nog witte wieven rond. ``Het brongebied van de Springendalse beek is een jaar of tien geleden als maïsland in gebruik genomen'', vertelt Eysink. ``De maïs stond hier twee meter hoog. Deze akker wordt `de Strengen' genoemd, wegens de vlechtende waterstroompjes die hier ontstaan. Om het land droog te houden, hebben de boeren drains gelegd op bijna een meter diepte. Ook zijn er diepe ontwateringssloten gegraven om de landbouwgronden droog te houden.''

Door deze ingrepen in de waterhuishouding en door het omzetten van grasland in akkers is de waterafvoer via de Springendalse beek bij regen flink toegenomen. Het water raast weg en door de erosie slijt de beekbodem steeds dieper in. Plaatselijk ligt de beek nu bijna twee meter diep, een meter dieper dan zo'n tien jaar geleden. De steile oevers dreigen in te storten en de beek draineert de wijde omgeving. Zonder ingrijpen zou het hele beekdal verdrogen.

spaarbekken

Om meer water bij de bron vast te houden is in 1995 een spaarbekken aangelegd. Het mondt uit in een buis met een fijne opening, die het water heel geleidelijk aan de beek afgeeft, zodat het gebied zich bovenstrooms kan volzuigen als een spons.

In 1996 kon Staatsbosbeheer het maïsland waarin de beek ontspringt alsnog aankopen. Eysink: ``Op zo'n moment kom je in de luxe positie dat je dingen kunt gaan doen die je altijd al voor de natuur had bedacht. Maar als je sloten gaat dichtgooien waar ook aangrenzende landbouwpercelen op afwateren, voel je het gedonder al aankomen.'' Hij ging bij alle omwonende boeren op huisbezoek en legde de plannen voor. Na veel heen en weer praten werd men het uiteindelijk eens: er moest één nieuwe drainagebuis komen als compensatie voor de vernatting waar de boeren al langer last van hadden en één buis als compensatie voor het dichtgooien van de sloten. ``Deze ondiepe drains voeren wel hemelwater, maar geen grondwater af'', zegt Eysink. ``Daarmee waren alle betrokkenen tevreden.''

Stap voor stap wordt nu de waterhuishouding geoptimaliseerd in samenwerking met het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) in Wageningen en met het KIWA, het onderzoeksbureau van de waterleidingbedrijven. Zo is onderzocht hoe men de diep uitgesleten beekbodem kan ophogen. Dat moet heel voorzichtig om de zeer zeldzame beekbeestjes die in de bovenste centimeters zand leven, niet te bedelven. Stuwbalkjes van rondhout voldoen niet, omdat die de natuurlijke waterstroom te veel verstoren en tot nieuwe erosie leiden. Takkenbossen, grind en keienvloertjes werken beter. Zij zorgen voor plaatselijke aanzanding van de beekbodem, die daardoor stapsgewijs kan worden opgehoogd. De Springendalse Beek heeft een verval van zo'n 30 meter en dus altijd een behoorlijke stroomsnelheid, het geleidelijk ophogen van de bodem gaat wel tien tot dertig jaar duren.

Ongelukkig genoeg was de afgelopen herfst een van de natste van de eeuw. Het vernattingsproject viel bijna letterlijk in het water. In Twente viel vorig jaar zo'n 1.200 mm neerslag, waarvan in oktober wel 100 mm binnen acht uur. ``Alles kwam blank te staan, de drainagebuizen stroomden uit als brandweerslangen'', zegt Eysink. ``Maar inmiddels zijn de overtollige drainagebuizen verwijderd, de sloten gedempt en de maïsakker is gedeeltelijk afgegraven om de jarenlang zwaar bemeste grond te verschralen.'' Op historische kaarten zie je bij de Sprengen moerassige plekken in de heide. Toen de drains uit de maïsakker werden gehaald steeg het water binnen een dag tot maaiveld. ``Je zakte er tot je knieën in weg'', zegt Eysink.

Omringende landbouwgronden worden nog steeds zwaar bemest. Voor het beeksysteem is het ongunstig dat er aan de bovenloop al zoveel fosfaat en nitraat in het water komt. Eysink: ``Die sobere bronmilieus moeten het van pure voedselarmoede hebben en intussen willen wij mensen zo graag luxe leven, dat valt niet zo makkelijk in elkaar te passen. Daardoor staan deze natuurterreinen welhaast per definitie onder druk. Als je hier ook de boeren wilt houden, moet je in het landschapsbeheer echt maatwerk leveren.''

Op de aangekochte maïsakker, ongeveer 10 hectare groot, is twee jaar rogge geteeld om de grond te verschralen. Twentse dekzanden zijn ijzerrijk en houden daardoor nogal wat fosfaat vast. De roggewortels nemen dat fosfaat op en bij de oogst wordt het met het gewas afgevoerd. Stikstof is veel mobieler. Dat zit al in het grondwater of is omgezet in stikstofgas, voor de natuurbeheerder valt daar minder aan te sturen. Na die twee jaar roggeteelt is de akker gedeeltelijk afgegraven. Het afgegraven zand wordt door omwonende boeren gebruikt om laaggelegen percelen op te hogen.

Vòòr het afgraven heeft een student van de Hogere Agrarische School in Dronten bodemonderzoek gedaan, eerst in een raster van 20 bij 20 meter en vervolgens in meer detail als hij tussen twee boorputten grote variatie in grondsoort vond. Ook werd naar de kleurpatronen van de grond gekeken. Meer dan de helft van de grond hoefde niet te worden afgegraven: inzijggebieden van het water, podzolbodems met een neerwaartse waterbeweging bleven ongemoeid. Wèl afgegraven zijn de sterk humeuze, geëgaliseerde gedeelten en de grondwatergevoede delen, waar het water nu weer dagzoomt en waar de kansen voor natuurontwikkeling het grootst zijn.

Op afstand zie je de grond al glinsteren. Het bronwater komt weer spontaan omhoog. Overal staan afdrukken van reeënhoefjes in de natte grond. Eysink: ``Vorig jaar was het hier zo extreem nat, toen kwam hier tussen de rogge overal al Klimopwaterranonkel tevoorschijn, samen met plantjes als Bronkruid en Beekstaartjesmos. De natuur kon niet afwachten tot wij klaar waren!''

Er zijn vlechtende stroompjes ontstaan, waar het water al kronkelend zijn weg zoekt, deels afstromend regenwater, maar ook bronwater. Op een schaal van nog geen honderd meter zie je kleine riviertjes door erosie en sedimentatie een nieuwe delta vormen, alsof je Nederland in miniatuur opnieuw ziet ontstaan. Uit het kale zand borrelt water op en er ontspringt een roestbruin, ijzerrijk stroompje. Kopergroene sporen duiden op oude, pure tertiaire zeeklei.

KLEILAGEN

In de loop van afgelopen tienduizenden jaren is in de omgeving van het Springendal een ingenieus watersysteem ontstaan. ``Je weet eigenlijk niet goed waar nou het begin of het eind is'', zegt Eysink. Dat heeft te maken met de stuwwal die tijdens de voorlaatste IJstijd, zo'n 150.000 à 130.000 jaar geleden, werd gevormd toen Scandinavisch landijs over Noord-Nederland schoof. Aardlagen werden geplooid en verfrommeld en uiteindelijk zijn de stuwwallen van Ootmarsum en Oldenzaal door het landijs `overreden', zodat ze nu niet meer één geheel vormen. ``Al met al heeft deze stuwwal een zeer complexe bodemopbouw gekregen'', zegt Eysink vanaf het hoogste, min of meer vlakke deel van de stuwwal, ongeveer 70 meter boven N.A.P. ``Door die oerkrachten uit de IJstijd zijn hier complete pakketten ondoorlatende zeeklei wel zeventig of tachtig meter opgestuwd. De aardschol is gekanteld. Die schots en scheef gestelde kleilagen zorgen er waarschijnlijk voor dat het water op sommige plekken gedwongen wordt om uit de stuwwal te treden.'' Op andere, drogere plekken ligt grof zand- en grindmateriaal, waarin het oppervlaktewater in de grond infiltreert om vervolgens een eind verderop weer als een nieuwe bron te dagzomen, afhankelijk van de regenval.

Met het oog op de waterwinning heeft de provincie Overijssel nader onderzoek laten doen naar het watersysteem dat de bronnen voedt. Daarbij zijn peilbuizen tot wel 40 meter diep geplaatst. Het grote watervoerende zandpakket in de ondergrond blijkt in essentie als één geheel te functioneren, al is het wel een zeer heterogeen pakket met allerlei kleilagen er dwars doorheen. TNO werkt ook met georadar: hoe dieper de radarpulsen in de bodem doordringen, hoe grover het plaatselijke zandpakket.

Vorig jaar bleken grondwatermonsters nog behoorlijk rijk aan nitraat en fosfaten, afkomstig uit mest. ``Maar voor de bijzondere beesten die in de beek thuishoren geeft het systeemherstel de doorslag'', zegt Eysink. ``De bovenloop van de beek werkt nu weer als een grote natte spons. Sedimentatie en substraat zijn belangrijker voor de bronbewoners dan de absolute voedselrijkdom van het systeem. Je ziet allerlei soorten al terugkeren. En je kunt hier zo mooi zien wat het water vanuit zijn oorsprong doet in zo'n gebied. Je ziet weer een soort oerlandschap ontstaan.''