Kleine dief op een enorm scherm

Hoeveel televisieschermen zouden er uit het 26 bij 14 meter tellende filmdoek op de Piazza Grande in Locarno gaan? Misschien wel duizend. De Franse filmregisseur Erick Zonca (La vie rêvée des anges) wiens Le petit voleur donderdag in de open lucht zijn internationale première beleefde, was overweldigd door de afmetingen van het scherm. Zeker omdat zijn tweede film eigenlijk voor televisie is gemaakt. Maar voor Zonca's film was zelfs het immense scherm in Locarno nog te klein. Filmkijken werd donderdag temidden van ruim 7000 anderen een claustrofobische ervaring.

Ongepolijst, vlak op de huid van zijn hoofdpersonen en gebruik makend van beproefde en hippe documentaire middelen als schoudercamera en springerige montage volgt Le petit voleur de verwording van een bakkersknecht uit Orleans, die na zijn uitgelokte ontslag zwicht voor een leven aan de misdadige zelfkant van Marseille. Razende dialogen en snelle Schnitts geven de kijker nauwelijks rust, wat het gevoel van onvermijdelijkheid versterkt. Maar Zonca weet behalve visueel te imponeren, ook inhoudelijk te overtuigen. Zijn film is opgebouwd als een ouderwetse gangsterfilm, waarin een gretige nieuweling wordt uitgeprobeerd, opgenomen in de hiërarchie, maar niet geacht wordt zelf initiatief te ontwikkelen. En net als in de klassieke misdaadfilms uit de jaren veertig geven beukende boksscènes aan waar op de criminele ladder onze hoofdpersoon zich bevindt. Meer nog dan in La vie rêvée des anges blijkt Zonca onder het laconieke en troosteloze oppervlak van zijn films positieve verhalen te willen vertellen. Zelfs als zijn hoofdpersonen niet direct sympathie oproepen.

Zo compromisloos en authentiek als het buiten competitie vertoonde Le petit voleur, zo voorzichtig en integer zijn de eerste films die meedingen naar de 14 augustus door de internationale jury uit te reiken Gouden en Zilveren Luipaarden. Het zijn bescheiden geschiedenissen, die ook niet meer lijken te willen zijn dan bescheiden, of ze nu over een sado-masochistische liefdesaffaire gaan tussen twee Japanse scholieren (Gekko no sasayaki van Shiota Akihiko), de tergend saaie postmoderne eenzaamheid van een alleenstaande Franse vrouw (1999 Madeleine van Laurent Bouhnik), de Werdegang van een Turkse crimineel tegen wil en dank (Üçüncü sayfa van Zeki Demirkubuz) of het cartooneske leven van een Spaanse familie (El Milagro de P. Tinto van Javier Fesser). De film die in zijn bescheidenheid het meeste wist te imponeren en ontroeren was Simon Mágus van de Hongaarse Ildikó Enyedi, een zachtmoedige misdaadfilm over een echte magiër, vol hoop en mysterie. Grote thema's die gelukkig nergens onttroond hoefden te worden. Prima del Tramonto van de Italiaanse Stefano Incerti wist te boeien met een landerige mix van vreemdelingenhaat, misdaad en tragedie in het arme Italiaanse zuiden. Al werd de spanning over het noodlottige einde van de film beslist versterkt door het over de bergen aanrollende onweer, dat later in de nacht ongemerkt in vuurwerk overging.