In de arena

Universiteiten zijn als bedrijven. Universele regels regeren hun groeidynamiek, aldus een vorige week gepubliceerde Amerikaanse studie. Maar Nederlandse scientometristen hebben kritiek.

WAT MARKTKRACHTEN zijn voor het bedrijfsleven, is het peer review system voor het wetenschappelijk onderzoek. En dus zijn universiteiten en bedrijven met elkaar vergelijkbaar. Hun groeidynamiek blijkt onderhevig aan universele regels. Dat is een van de uitkomsten van een statistische analyse die een groep natuurkundigen van Boston University en Boston College onlangs heeft uitgevoerd (Nature, 29 juli). Zij onderzochten de jaarlijkse groei van het wetenschappelijk onderzoek aan meer dan zevenhonderd Amerikaanse universiteiten over een periode van 1979 tot 1995. Om die groei te kunnen kwantificeren maakten ze gebruik van een database van de National Science Foundation, waarin de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling van de natuurwetenschappelijke faculteiten zijn opgeslagen. Voor elk jaar konden ze daaruit eenvoudig de toename of afname van het onderzoeksbudget bepalen ten opzichte van die van het jaar daarvoor. Al die gegevens, zo'n twaalfduizend datapunten, werden vervolgens statistisch geanalyseerd. Daaruit bleek dat de jaarlijkse toename in onderzoeksactiviteit onafhankelijk is van de grootte van het onderzoeksbudget. Dat wordt bevestigd wanneer de research-activiteit werd afgemeten aan het aantal patenten of gepubliceerde artikelen.

Eerdere analyses van dezelfde groep hadden al uitgewezen dat ook de economische groei van landen (afgemeten aan het Bruto Nationaal Product) en die van bedrijven (bepaald aan de hand van het aantal werknemers en de verkoopcijfers) aan dezelfde kwantitatieve regels voldoen (Physical Review Letters, 12 oktober 1998 en Nature, 29 februari 1996). De onderzoekers concluderen dan ook dat `complexe organisaties' blijkbaar volgens een universeel mechanisme evolueren. Net als het bedrijfsleven kent de universitaire wereld een competitieve omgeving: een `markt' waar wetenschappers het tegen elkaar opnemen om de meeste fondsen in de wacht te slepen. De auteurs stellen heel neutraal dat het universitaire onderzoekssysteem blijkbaar voldoende effectief is.

Volgens Henk Moed, als onderzoeker verbonden aan het Centrum voor Wetenschap en Technologie Studies in Leiden, stellen de auteurs zich daarmee wat te terughoudend op ten aanzien van de implicaties van hun eigen werk. Dat wordt duidelijk uit een begeleidend commentaar in Nature, dat hij schreef met Marc Luwel van het Ministerie Vlaamse Gemeenschap in Brussel. Met name de laatste paar jaar is het universitaire onderzoek veel meer toegepast geworden, gericht op de noden van de maatschappij en op versterking van de economische activiteit. Dat heeft met zich meegebracht dat de nadruk is komen te liggen op de korte termijn en dat het fundamentele onderzoek in de verdrukking is gekomen. Moed legt desgevraagd uit: ``De tijdshorizon in het universitaire onderzoek is net zo kort geworden als in het bedrijfsleven – zo rond de vijf jaar. En dat terwijl in werkelijk fundamenteel onderzoek vaak een veel langere periode in acht dient te worden genomen. Dit punt speelt een heel belangrijke rol in de discussies in Nederland, terwijl Stanley er nauwelijks verder op ingaat.''

ONBALANS

In de afgelopen paar jaar hebben Moed en Luwel de toestand van het universitair onderzoek in Nederland en Vlaanderen in de natuur- en levenswetenschappen in kaart gebracht. Op grond van die studies komen zij tot deels andere bevindingen dan die van Stanley en zijn collega's. Die onderzochten trouwens ook nog de toestand van het Engelse en Canadese universitaire onderzoek en vonden geen verschillen met die in de Verenigde Staten. Maar in Vlaanderen blijkt in de periode 1980-1994 een duidelijke onbalans te hebben bestaan in de groei van universitaire faculteiten. Dat volgt uit bibliometrisch onderzoek waarvan Moed en Luwel de resultaten in 1997 en 1998 publiceerden (zie Nature, 12 maart 1997 en Scientometrics, 1998). Zij turfden de aantallen publicaties van onderzoeksafdelingen en bepaalden bovendien de impact van elk, gemeten aan het aantal citaties. Daarnaast bekeken ze ook de veranderingen in de verdeling van onderzoeksgelden. Over de onderzochte periode bleken de van oudsher grote onderzoeksafdelingen alleen maar groter te zijn geworden, terwijl de kleinere klein waren gebleven. Deze concentratie was een gevolg van een bewuste politiek om meer competitie te krijgen bij de verdeling van het researchbudget. Tot een algehele verhoging van de productiviteit was het echter niet gekomen.

NIVELLERING

Onlangs werden ook de resultaten gepubliceerd van een soortgelijke studie die Moed en (twee) collega's, Martijn Visser en Thed van Leeuwen, hebben verricht naar de situatie in Nederland. Daar heeft over dezelfde periode als in Vlaanderen juist een nivellering plaatsgevonden: de output van kleinere universiteiten (opnieuw gemeten aan de hand van aantallen en impact van publicaties) blijkt harder te zijn gegroeid dan die van grote. Uit hun analyse blijkt dat deze research-output met een vertraging van een paar jaar gecorreleerd is aan studentenaantallen. En die zijn op hun beurt weer een maat voor de verdeling van de omvangrijke basisfinanciering of `eerste geldstroom' over de verschillende universiteiten. Deze vorm van financiering is grotendeels onbekend in de Angelsaksische landen, waar praktisch het volledige budget wordt verdeeld via `grants'. Competitie speelt daar dus een veel grotere rol. Een gevolg daarvan is dat in Nederland geen grote verschillen lijken te bestaan in onderzoekskwaliteit tussen universiteiten. Moed: ``De verschillen tussen universiteiten in Nederland zijn in elk geval veel kleiner dan die in het Amerikaanse of Britse systeem, en zijn in de afgelopen jaren nog kleiner geworden. Deze nivellering belemmert volgens sommigen de ontwikkeling van toponderzoek.'' Uit verschillende bibliometrische studies blijkt echter dat de gemiddelde impact van Nederlandse publicaties hoger ligt dan die van veel andere landen. Blijkbaar zijn er verschillende manieren om de internationale concurrentie het hoofd te bieden.