Hollands Dagboek: Daan Everts

Daan Everts (58) is hoofd van de Kosovo-missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en plaatsvervangend speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN. Hij is getrouwd met kunstenares Heleen Waterbolk en heeft twee zonen.

Woensdag 28 juli

Vandaag een dag die een week kan vullen. Met de verzuchting aan het eind waarom een mens dit zichzelf allemaal aandoet – en zijn gezin. Het begon overigens goed: er was water en elektriciteit in Priština. Het ochtendritueel op kantoor, met het laatste nieuws en aankondigingen, blijft een goed startsignaal voor de werkdag. Belangrijker is het daaropvolgende dagelijks beraad van het Uitvoerend Comité van de UNMIK (het Interim Bestuur van de VN in Kosovo), bestaande uit speciale vertegenwoordiger Kouchner, mijn vier collegae plaatsvervangers en mijzelf. Een Latijns-Angelsaksisch kwintet, dat na aanvankelijke onwennigheid, op elkaar ingespeeld raakt.

Er heerst zorg over de nawerking van de Graçko-massamoord, over het gebrek aan mensen en middelen voor een effectief bestuur en over de samenwerking met de UÇK en politieke partijen. In de vervolgvergadering van de eigen OVSE-staf dringt het plotseling tot mij door dat we de contouren van een sterk team beginnen te krijgen, met een goede nationaliteitenmix en een redelijke man-vrouwverdeling.

Het goede nieuws van de dag is dat Mirjana – onze zachtaardige, vegetarische, homeopathische Française – mijn belofte aan Kouchner inlost en vandaag Radio Priština in de lucht krijgt, alle scepsis ten spijt. Dat ze daarbij een aantal mannelijke ego's in KFOR en VN heeft gekwetst, nemen we op de koop toe.

Na een reeks bezoekers vertrek ik naar Graçko voor de begrafenis van de veertien vermoorde Servische boeren. Net op tijd bedenk ik dat de Albanese chauffeur door een Servische moet worden vervangen. Op de begraafplaats emotionele scènes. Veel klaagzang, veel bitterheid, felle beschuldigingen aan het adres van NAVO en UNMIK. Mijn oproep om de geweldscyclus te doorbreken, klinkt ook mij tamelijk hol in de oren. Ik drink en sprenkel wat raki, neem een suikerklont, druk handen, prevel condoleances. De schare journalisten, gewapend met camera's en satellietschotels, is meedogenloos.

Op kantoor komt UÇK-leider Thaçi onverwachts binnenvallen voor een een-op-eengesprek in gebrekkig Duits. Hem moet iets van het hart. Daarna weer een stroom bezoekers, onder anderen bekenden uit Albanië die in Kosovo willen investeren. Ze bieden me een half landgoed aan voor de goede diensten Albanië bewezen en, naar ik vrees, voor een helpende hand in Kosovo. Ik begrijp natuurlijk niks en geef hoog op van de deugden van concurrentie en verlicht ondernemerschap.

Bij de borrel van mijn Franse politieke medewerkster tref ik bekende Kosovaren, onder wie de rondborstige, voormalige regeringsleider Bakalli (`ik was een communist maar geen Stalin en geen Hoxha'). Het blijft een wonder dat we in deze samenstelling in Priština bijeen zijn. Twee maanden geleden was dat volstrekt ondenkbaar geweest.

Donderdag

Priština is een heksenketel. Medlin Olbrajt komt langs (Albanezen spellen fonetisch). De drie kranten die met buitenlandse steun gratis verschijnen, staan er vol van. In de Kosovo Sot (Kosovo Vandaag) lees ik ook nog dat Louis Van Gaal een mooi nieuw contract met Barcelona heeft afgesloten. Hier hebben we toch andere zaken aan ons hoofd, hoewel een vriendschappelijke voetbalwedstrijd goed voor het moreel zou zijn. Misschien moet ik een partij tussen Thaçi's UÇK en Rugova's LDK organiseren. In Albanië werd zo'n wedstrijd tussen politieke kemphanen – waarin ik als scheidsrechter mocht optreden – een groot succes en het begin van een politieke dialoog.

Het gesprek met Albright is kort en krachtig. Rugova schittert door afwezigheid, wat hem niet in dank wordt afgenomen, ook niet in eigen kring.

Met de moedige journalist en rechtsgeleerde Blerim Reka bespreek ik plannen voor een School voor Journalistiek en een Wetscentrum. 's Avonds eten met twee `ministers' van Thaçi's `voorlopige regering'. De een heeft tien jaar gevangen gezeten, de ander was tot twintig jaar veroordeeld maar bleef als een van de eerste UÇK-leiders ongrijpbaar. Een jonge man, maar door beproeving getekend. Ze maken bezwaar tegen het internationale wantrouwen tegen hun beweging. Wij hebben het tegen het regime opgenomen, wij zijn altijd anticommunistisch geweest, wij hebben zij aan zij met de NAVO gevochten, wij doen loyaal mee met de Kosovo-Raad (die UNMIK adviseert), waarom krijgen wij minder krediet dan zij die op zijn best langs de kant stonden, aldus verzuchten ze. Ik probeer uitleg te geven.

Een nachtelijk gesprek met twee verslaggevers van Reuters sluit een lange dag af. De kaars heeft weer aan twee kanten gebrand. We moeten kalmer aan doen, vermaan ik mezelf.

Vrijdag

Vroeg op om een nieuwe joggingroute te verkennen. We rennen naar een grotendeels verlaten Servisch dorp, bewaakt door Britse paratroepen. Triest isolement. Kapotgeschoten of verbrande huizen van Albanezen bieden onderweg een al even trieste getuigenis van wat zich hier eerder heeft afgespeeld. Het roept herinneringen op aan de macabere spookdorpen in Kroatisch Krajina en de verschroeide streken in Bosnië. Het blijft onbegrijpelijk hoe voor de derde keer Servische leiders etnisch geweld hebben ontketend. Hopelijk is de Sarajevo-top van vandaag een historisch keerpunt en zal het Stabiliteitspact zoveel onderlinge afhankelijkheid en gemeengoed scheppen dat de primitieve etnische strijd definitief tot het verleden behoort.

De verdere dag gaat op in vergaderingen, bezoekers van heinde en ver en een verrassend bezoek van, alweer, een UÇK-leider op zoek naar begrip en advies. De LDK laat me telefonisch weten dat Rugova in aantocht is en een gesprek wil.

's Avonds gegeten met een collega uit mijn VN-jaren die laatste nieuws en veel roddels uit New York meebrengt. Verhalen over broodnijd en zelfzucht die niet vrolijk stemmen. Vanuit het OVSE-restaurant op de negende verdieping kijken we neer op Priština, een provinciale weergave van Sarajevo, laag gebouwd onder rode pannendaken. Het pittoreske beeld wordt verstoord door rookwolken die op nieuwe huisverbranding wijzen.

Zaterdag

Voor het eerst sinds lange tijd een slapeloze nacht. Beste remedie is een flink eind hardlopen. Het aantal joggers groeit. We hollen door een groot, groen park buiten de stad tot aan een door de NAVO platgegooid hotel, waar Servische paramilitairen en politie waren gelegerd. Net als het kapotte postkantoor (telecommunicatie!) midden in de stad een doelwit van precisiebombardementen.

Later volgt een openhartig gesprek met Sven, de baas van de VN-politie. Het goede nieuws is dat hij een nieuw contingent politiemannen heeft binnen gekregen. Het slechte nieuws is dat ze geen Engels spreken en niet met wapens weten om te gaan. Niet exact wat hij nodig heeft voor law and order.

's Middags overleg met KFOR over actualiteiten. En passant vraag ik of het wrak van een autobom wordt weggehaald voor het huis van Rexhep Qosja, de `Abraham Lincoln' van Kosovo, zoals hij door het State Department werd gekenschetst. Met zijn baard en streng voorkomen, maar ook zijn torenhoog moreel gezag, een treffende gelijkenis.

Om vier uur slaat de vermoeidheid toe en knijp ik er een uur tussenuit om thuis bij Paganini's viool en gitaar-duetten uit te rusten. Al ruim drie jaar zonder echte vakantie, dat gaat bij deze zevendaagse werkweken opbreken.

De latere avond brengt de hele jeugd van Priština in beweging. In de autovrij gemaakte hoofdstraat drentelen honderden jongeren heen en weer. De cafés en terrassen zitten vol, alsof er nooit oorlog is geweest. Maar de minderheidsgroeperingen zitten thuis in gespannen afwachting of de nacht nieuw onheil brengt. Klachten over anonieme dreigementen en intimidatie blijven binnenstromen. Vergeldingsdrang, al dan niet gepaard met simpele roofzucht, laat zich niet zo gemakkelijk intomen. Waar blijft toch die `robuuste' internationale politiemacht?

Zondag

De mountainbike uit het vet gehaald en Priština uitgereden, gevolgd door auto met chauffeur. Een veiligheidsvoorschrift dat me overbodig lijkt. Ik rij langs een fabriekscomplex in puin. Ik ontwijk een paar grote kraters van bominslagen. Verderop duidt rood lint op mijnengevaar, maar op de verharde weg fiets ik geen risico. Veel bedrijvigheid op het land. Een groepje boeren moedigt een onhandige stier aan een koe van nieuw leven te voorzien. Als dat geen bewijs is van geloof in de toekomst!

Ergens langs de weg zie ik 22 vers gedolven graven op rij. Waarschijnlijk herbegraven lijken uit een massagraf. Nog steeds worden nieuwe bewijzen van massamoord gevonden. Dat maakt onze oproepen tot verzoening niet gemakkelijker. Na een uurtje stop ik voor een Ruski caj, Russische thee, en keer weerom.

In de middag een gesprek bij Rugova thuis. Hij ziet er ontspannen uit na zijn zelfverkozen Romeinse ballingschap. Ontspannen is ook het gesprek. Hij belooft niets dan goeds en samenwerking en laat me zijn verzameling stenen zien.

Een nabespreking op het terras van Grand Hotel, dat allesbehalve `grand' is. Een politiek trefpunt. De manager komt erbij zitten. Twee maanden geleden was hij een vluchteling in Macedonië, diep in de put. Nu vol toekomstplannen. Hij gaat twee andere vervallen hotels opknappen.

In het nabijgelegen stadion wordt een benefietconcert gegeven. Patriottische liederen galmen over de daken. Zoals zoveel was ook het stadion al vele jaren taboe voor de Albanezen. Voor hen bracht de oorlog een eind aan discriminerende `apartheid'.

Maandag

Vroeg gewekt door het roterend geweld van twee helikopters die om onduidelijke reden boven mijn dak blijven hangen. Er is vannacht een bomaanslag op de orthodoxe kerk-in-aanbouw gepleegd. Tegenover mij blijken drie Montenegrijnse vrouwtjes te wonen die al weken niet buiten de deur durven en alleen op speciale klopsignalen opendoen.

Ik vind tijd om Heleen te bellen en Gilles in Amsterdam aan te sporen nog deze eeuw af te studeren. Het wordt tijd dat hij zich aan de verlammende greep van de grachtengordel ontworstelt. Die misplaatste Amsterdamse zelfgenoegzaamheid houdt handen in de mouw. Ik bel ook naar Buitenlandse Zaken, maar iedereen is op cursus, verlof of dienstreis.

Dinsdag

In het Gnjilane-district zijn problemen. In de stad zelf ligt de zigeunerwijk grotendeels in as. Zij, de Roma, worden beschuldigd van collaboratie met de Serviërs en hebben bijna allen de vlucht genomen. Meer waarschijnlijk werden ze gedwongen om hand- en spandiensten te verlenen, zoals bij het graven van massagraven. We horen verhalen over branden, kidnapping en moord. De UÇK ontkent daarachter te zitten, maar lijkt toch op zijn minst deze vergeldingsacties te tolereren.

Anderzijds horen we ook van Servische strooptochten vanuit de naburige Servische grensstreek, en van honderden Albanezen die vandaar Kosovo worden ingejaagd. Etnische zuivering aan twee kanten. We rijden langs een Russisch KFOR-checkpoint en worden professioneel bejegend. Op de terugweg stoppen we bij het veertiende-eeuwse klooster van Gracanica. Al jaren naar uitgekeken, maar het exterieur is verminkt door grote glazen wanden. De orthodoxe kloosters van Pec en Decani zijn mooier gelegen, in meer oorspronkeljke staat en rijker aan fresco's.

Alweer een werkdiner tot besluit van de dag, in gemengd gezelschap. De Zuid-Europeanen drinken wijn, de noorderlingen bier en een Kosovaar mengt wijn en cola.

Woensdag 4 augustus

Vandaag verzamelen we alle Niet-Gouvernementele Organisaties, waaronder zowel kaf als koren. De elektriciteit valt weer uit, maar een nieuwe generator houdt de computers gaande. En er is weer goed nieuws. Buitenlandse Zaken heeft mijn verzoek om extra personele steun goedgekeurd. Drie medewerk(st)ers. Weliswaar niet helemaal het pakket van mijn voorganger, acht bodyguards, twee gepantserde limousines met chauffeur en een team van assistenten, maar dat was ook wat veel van het goede.

De elektriciteit blijft uit en we gaan een heel donker, nachtelijk Priština in. Kaarsen lichten het eten bij, ook op straat. Helikopters scheren als vliegende schijnwerpers over de stad. Ik loop tastend naar huis en zoek met lucifers de deur, het sleutelgat en mijn weg door gang en kamer. Het scherm van de laptop – op batterij – is de enige andere lichtbron. Ik sluit dit dagboek af in duister.