Een koelbox in de wei

`WE MOGEN nog steeds met isotopen werken, maar met veel lagere eenheden dan vroeger', zegt chemicus Marco Geusebroek. Het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) bestaat uit verspreid liggende gebouwen in de duinen bij Petten. Het opvallendst zijn de kleine witte kernreactor, windturbines en een demonstratiedak met zonpanelen. Marco werkt in gebouw 5, chemie laagbouw. Via een sluis met zware stalen deuren – voorzien van stralingssymbool – komen we in de radioactieve vleugel met onderdruk, zodat er geen lucht wegstroomt bij calamiteiten. Er is continu het zachte geruis te horen van lucht die afgezogen wordt.

Marco (38): ``Ik begon hier als radiochemisch analist. Radioactiviteit bepalen in zeewater, grond en bijvoorbeeld speelgoed. Na drie jaar ben ik overgestapt naar luchtonderzoek en veldwerk gaan doen, onder andere vanaf een 35 meter hoge steigertoren op de Veluwe om verzuring van de bossen te onderzoeken.''

Hij verricht momenteel vooral metingen naar ammoniakconcentraties bij weilanden en verontreiniging langs wegen. ``Zo meteen gaan we ammoniakdepositie en -fluxen meten. De neerslag meten we door eens per week gras af te knippen en in het lab te analyseren. De fluxen ammoniakgas worden permanent gemeten en hierheen doorgezonden. De mestproblematiek is actueel in Nederland, vanwege onze grote veestapel. Door ammonium in de lucht groeit gras sneller, waardoor heidevelden vergrassen en verdwijnen. We meten in een gehuurd weiland van een voormalig ECN-medewerker: er staan geen dieren in de wei en als we willen wordt er gemest of gemaaid. Volgend jaar komen Europese partners hier met hun opstellingen meten, om de methoden te vergelijken.''

Hij pakt een koelbox voor het gras. We lopen naar de materiaalopslag, een portocabin. Buiten staan grote PVC-trechters; binnen toont hij pompen en metalen houders voor filters van papier en polyurethaan. Hij pakt een raamwerk. ``Een cascade-impactor; daarmee meten we zware metalen. Hij wordt op een buis met een sterke pomp geplaatst: de lucht wordt door verspringende sleuven en een S-vormige stapeling cellulosepapier gezogen.''

We rijden in een 4-wheel-drive met ECN-vignet door een weids landschap, via Sint Maartensvlotbrug aan het Noord-Hollands Kanaal, naar Schagerbrug. Marco: ``Door het veldwerk ben je vaak alleen op pad; ik kan slecht tegen randstedelijke drukte. Ik ben geen milieufreak, maar je draagt met dit werk wellicht bij aan een beter milieu; dat geeft extra werkplezier.''

Het ECN, dat vroeger bekend stond als de `kernenergie-lobby', richt zich tegenwoordig op duurzame energie en gebruik van fossiele brandstoffen op een schone manier. Marco: ``Ik val onder de werkeenheden chemische analyse en luchtkwaliteit. We werken veel in opdracht van instanties en bedrijven. Het lange-termijnnut zit vooral in bijdragen aan het broeikas-onderzoek. Zo hebben we ontdekt dat het broeikaseffect weliswaar versterkt wordt door CO2, maar dat een tegeneffect uitgaat van aerosolen, kleine deeltjes die ook in de lucht zweven, waardoor het nettoresultaat nul kan zijn.''

We komen aan bij een boerderij en rijden het achtergelegen weiland in. Langs de sloot staat een steigerstellage van drie meter hoog, met stalen scheerlijnen verankerd. Op plankieren vlak boven de grond, op een halve meter en twee meter hoog staan trechters met filters opgesteld. Aan de stellage zijn een windmeter en windhaan bevestigd en in een viertal metalen kisten bevindt zich meetapparatuur, pompen, een computer, muis, modem en gsm. Op de monitor roept Marco grafieken van ammoniakmetingen op, die tevens on-line bij het ECN worden afgelezen: ``Een volautomatische opstelling, waarmee je makkelijk grote datareeksen verkrijgt.''

We lopen verder de wei in. De hoogte van het gras meet hij met – zoals hij grapt – `een hightech-instrument': een smalle pvc-buis met een witte polystyreen schijf. In de buis zit een staaf die hij op de grond plaatst. Vervolgens laat hij de buis met schijf zakken op het grasoppervlak; bovenaan de staaf is de grashoogte af te lezen (14 cm.). Daarna pakt hij een schaar en een kleine plastic container met een laagje water, waarin hij een pluk afgeknipt gras stopt. Met een apparaatje met sensor meet hij eerst de luchttemperatuur (20,5 graden), vervolgens steekt hij het metalen sensorstaafje in de grond (18,5 graden). Dit herhaalt hij drie keer, steeds 50 meter verderop. Bij de tweede meting begeeft de sensor het. Marco: ``Vermoedelijk doordat de grond hard is; het heeft al een tijdje niet geregend. Het is niet echt rampzalig. Bij dit soort onderzoek gaat het om de regelmaat; vele keren het hele jaar door, dan ga je patronen zien en krijg je geldige meetwaarden.''

Op de terugweg vertelt hij dat hij aan twee grote projecten voor Rijkswaterstaat werkt. Bij POLMIT wordt de verspreiding van verontreinigende stoffen langs snelwegen gemeten: concentraties in lucht en run-off water. ``Dit onderzoek wordt in zes andere Europese landen gedaan. We verrichten luchtmetingen en wateranalyses langs de A9 bij Spaarnwoude. Met pompen zuigen we op een meetdag twee of drie uur per meting lucht aan. Het run-off water loopt via een uitgefreesde goot in het asfalt naar slangetjes in vaten naast de weg. We meten bij westenwind; aan de oostzijde, vlak naast de weg en bij een boerderij op 200 meter afstand, maar ook aan de westzijde van de weg, waar de zeewind vandaan komt, als referentiemeting. We meten polyaromaten en zware metalen. Met lege gaszakken, die zich volzuigen met lucht, bepalen we vluchtige verbindingen. Bij deze campagne bestaat het team uit de projectleider, iemand die zorgt voor de auto's en de apparatuur en mijzelf. Het valt ons op dat de verspreiding van de verontreiniging meevalt, het blijft vlakbij de weg.''

Langs de A28 bij Zeist doet hij onderzoek van kortere adem. Rijkswaterstaat wil weten of gebruik van de vluchtstrook als spitsstrook tot extra milieubelasting leidt. Marco: ``In een vluchtstrook is vuil opgehoopt dat normaal genomen niet wordt uitgereden. We hebben ontdekt dat zoab-asfalt niet alleen een hoog waterbergend vermogen heeft, maar dat vuil er op lange termijn ook beter in blijft zitten.''

We lunchen in de bedrijfskantine, midden in het duinlandschap. ``Soms doen we onderzoek hier op het terrein'', zegt Marco. ``Ik heb het gehad dat kabels van meetapparatuur de volgende dag waren kapotgevreten door konijnen. In het voorjaar kun je vrijwel niet op je locatie komen, omdat stormmeeuwen dan jongen hebben en je aanvallen.'' Het veldwerk is sterk weergevoelig. ``Bij het snelwegonderzoek ben je steeds afhankelijk van de windrichting. Aërosol meten we alleen op wolkenloze dagen, met maximale instraling van de zon. Die zijn er zelden in ons land. En als het lukt, wordt het beeld vaak verstoord door condensstrepen van vliegverkeer. In de winter kunnen je spullen kapotvriezen en afgelopen najaar zijn monster-innamepunten weggespoeld door zware regenval.''

We gaan terug naar zijn werkplek. Marco deelt een kamer met twee promovendi. In een voorruimte hangen witte jassen en er staat een gammateller. Hij toont het lab. Voor de overstapbalk, die direct doorlopen belet, doet hij leerklompen aan en geeft mij schoenhoezen. Dit om mogelijke besmetting niet over de gangen te verspreiden. We staan tussen werktafels met glazen retorten, slangetjes, trechters en meetapparatuur. ``Het gras dat we hebben gemonsterd, knip ik in kleinere stukjes. Het gaat deze lab-oven in om te drogen en daarna maak ik er met vloeibare stikstof een cryogeen-maling van. Vervolgens wordt het gecentrifugeerd met wat water. Ik pas ook apoplastsap- en bulktissue-extractie toe. Als de analyse-uitkomsten terugkomen van de analytische groep, verwerk ik ze. Ik werk zo'n 20 procent van mijn tijd in het veld, de rest gelijkelijk verdeeld over labwerk en gegevens verwerken plus rapporteren.''

Twee weken later. Petten (1.400 inwoners) is niet veel meer dan een forse nieuwbouwwijk, ingeklemd tussen Hondsbossche Zeewering en slaperdijk. Marco woont in een rijtjeshuis. Op de schoorsteenmantel in de woonkamer staat een fles met daarin een scheepje. Hij is getrouwd en heeft twee jonge kinderen. Hij werkt nu dertien jaar bij het ECN. Als kind speelde hij al met modeltreintjes. Hij toont me, in de ouderslaapkamer, een nieuwe Märklin modelspoorbaan. ``Ik ben er sinds kort weer mee begonnen.'' Hij is ook nog een tijdje diskjockey in een plaatselijke dancing geweest. Nu speelt hij als amateur bij de plaatselijke toneelvereniging. Als zijn vrouw binnenkomt, zegt hij: ``Esther komt uit Zaandam. Ik heb haar leren kennen toen ze hier op vakantie was.'' Ze is bedrijfsleidster van het ECN-schoonmaakbedrijf. Esther: ``Marco is makkelijk in de omgang. Maar als het niet gaat zoals hij wil, wordt hij een beetje driftig en als hij van zijn werk thuiskomt, moet ik even niets zeggen.''