De rattenvangers van Bombay

Bombay telt vijf keer zoveel ratten als mensen. Volgens het hindoeïsme is het knaagdier heilig, maar India is beducht voor de ziektes die het overbrengt. 'sNachts gaan de rattenvangers op jacht.

In het schijnsel van de zaklantaarn zijn alleen de zwarte snorharen en twee grote gele tanden zichtbaar. Na een lichte aarzeling komt ook het kopje tevoorschijn: achter de stok aan die langzaam wordt weggetrokken. Als het lijf voor de helft uit het hol is, slaat de rattenvanger toe: met een trefzekere slag mept hij de rat dood. Hij trekt de rat met de stok uit het hol, grijpt hem met zijn tenen bij de staart en zwiept hem handig in zijn tas. ,,Curiosity killed the rat.''

Anand Kambale is een van de vijftig rattenvangers die de gemeente Bombay in dienst heeft. Zes keer per week trekken ze er 'snachts in groepjes van twee à drie op uit om ratten te vangen. Vannacht is het jachtterrein een naargeestige flatwijk vlakbij de haven van Bombay. Op het moment dat de meeste mensen slapen, nemen ratten bezit van de straat. Tussen de vervallen flats wemelt het van de ratten die zich tegoed doen aan de etensresten die de bewoners naar buiten hebben gegooid.

Net als zijn twee collega's loopt Anand in korte broek en blootsvoets langs de afvalbergen. Ze hoeven hun zaklamp maar op een vuilnishoop te richten of ze zien een groepje ratten tussen het afval. Sommige blijven als verlamd in de lichtbundel staan en zijn een gemakkelijke prooi voor de rattenvanger. Andere ratten proberen zich uit de voeten te maken, maar de dieren zijn niet gebouwd voor een snelle sprint. Als ze heelhuids wegkomen is dat te danken aan de onverschilligheid van de rattenvanger. Met zoveel andere potentiële slachtoffers binnen handbereik, laat hij wel eens een vluchtende rat lopen.

Als uit een gebroken rioolpijp opeens een grote bruine rat wegschiet, aarzelt Anand geen moment. Hij laat zijn stok, waarvan het uiteinde met ijzer is omwikkeld, met kracht op de kop van de rat neerdalen. Luid piepend en stuiptrekkend draait het dier in de rondte. Na nog eens drie tikken is de rat dood en wordt hij in de tas gegooid.

Het werkterrein van de rattenvangers van Bombay zijn graanpakhuizen, markten en andere plaatsen waar voedsel ligt. Meestal hebben ze na een uur of drie hun quotum van 25 ratten gehaald. Hoewel ze voor elke rat extra een bonus van 5 rupees (25 cent) krijgen, houden de meesten het bij 25 voor gezien, vertelt Anand. ,,In het begin had ik moeite met mijn werk. Hindoes hebben respect voor alles wat leeft, maar de rat brengt gevaarlijke ziekten over op de mens, daarom is het noodzakelijk dat we ze doden. Maar als ik in de tempel poedja kom doen, vraag ik vergiffenis voor mijn daden.''

Deze ambivalente houding ten opzichte van de rat bleek al eerder die avond op het kantoor van de gemeentelijke ongediertebestrijdingsdienst, waar we hadden afgesproken met de rattenvangers. ,,You wanna see very big rats'', vroegen een paar van hen. Nieuwsgierig liepen we mee naar een donkere zaal. Net toen we ons afvroegen wat hier te zien was, schakelde iemand de elektriciteit in: in één klap baadde de zaal in het licht, afkomstig van tientallen slingers met flikkerende lichtjes in alle kleuren van de regenboog. Blikvanger was een altaar waarop een manshoge stierenkop stond. De oren en de bek van de stier bewogen mechanisch op en neer. De stier was Nandi, het rijdier van de hindoegod Shiva, die met zijn vrouw Parvati op de hoorns van het beest was afgebeeld. Tussen de hoorns zat hun zoon Ganesha, de populaire olifantgod. Het opvallendst waren echter de twee grote ratten die de stierenkop flankeerden. Eén sloeg – eveneens mechanisch aangedreven – hard op een trommel, de ander hield wat slingers vast. Lachend keken de rattenvangers ons aan: ,,Very big rats, sir.'' Op het altaar lagen sinaasappels, kokosnoten en andere offerandes voor de goden, maar ook voor de stier en de ratten.

Net als de stier beschouwen hindoes de rat als een heilig dier. Die status vloeit voort uit zijn functie als rijdier van Ganesh. Op elke afbeelding van Ganesh is ook de rat te zien. Op sommige plaatsen in India zijn zelfs tempels gewijd aan de rat. Door de heilige status van het dier weet de Indiër niet goed raad met zijn houding ten opzichte van de rat. En dat is niet bevorderlijk voor een effectieve rattenbestrijding. Liever dan hem te doden, vangt de Indiër de rat in een val en geeft hem een eind uit de buurt weer zijn vrijheid terug. Vooral in kleine dorpen zie je 'sochtends Indiërs met volle rattenvallen naar het veld lopen om de beesten daar los te laten.

Deze lankmoedige houding draagt ertoe bij dat het in India wemelt van de ratten. Ze zijn overal: niet alleen op geijkte plekken als markten, pakhuizen, vuilnisbelten en slums, maar ook ziekenhuizen, vijfsterrenhotels en luxe kantoren kunnen het knaagdier niet buiten de deur houden. Zelfs de vliegtuigen van Air India zijn niet veilig voor de rat. De vliegtuigmaatschappij heeft enige malen intercontinentale vluchten moeten uitstellen, nadat in de cockpit ratten waren gevonden. Alvorens te vliegen, werd uitgebreid gecontroleerd of de ratten niet aan de bedrading hadden zitten knagen.

Wel is er een kentering te bespeuren in de omgang met heilige dieren in India. Zo is de koe, omwille van de doorstroming van het verkeer, verbannen uit de grote steden. (Niet dat het veel heeft geholpen: ook zonder stoïcijns herkauwende koeien midden op het kruispunt, loopt het verkeer in India's metropolen nog regelmatig vast). En sinds de vermeende pestuitbraak in 1994 in Surat – driehonderd kilometer ten noorden van Bombay – wordt de rat minder bekeken als heilig dier en meer als ziekteoverbrenger. De paniek die dat teweegbracht – honderdduizenden Indiërs sloegen op de vlucht – staat nog bij velen in het geheugen gegrift en heeft ervoor gezorgd dat de `antiratlobby' weer wat terrein heeft gewonnen.

Voor de heer Deobhankar, hoofd van de rattenbestrijdingsdienst van Bombay, heeft de rat weinig heiligs meer. We ontmoeten hem de volgende middag op het John Haffkine-instituut, het laboratorium waar de gedode ratten steekproefsgewijs worden gecontroleerd op pest. ,,Van alle dieren is de rat de grootste vijand van de mens'', vertelt Deobhankar, die zijn zeven stafleden om zich heen heeft verzameld. ,,De rat eet naar schatting eenvijfde van de wereldgraanvoorraad op, veroorzaakt ontelbare branden door het doorknagen van elektriciteitsdraden, en ondermijnt dijken. Maar het grootste gevaar is dat hij zo'n twintig ziekten kan overbrengen op de mens'', doceert hij. ,,Behalve de pest, die eigenlijk wordt overgebracht door de rattenvlo, zijn dat onder meer de ziekte van Weil en paratyfus. De rat is bijzonder moeilijk te bestrijden. Met bestrijden bedoel ik controleren, over uitroeien heb ik het al helemaal niet. Niet alleen zijn het meesters in het aanpassen aan de lokale omstandigheden, ook planten ze zich razendsnel voort. Bij sommige soorten kan een vrouwtje al na twee maanden zeven jongen krijgen, en vervolgens elke volgende maand weer zeven. In een jaar tijd kan één rattenpaar vijftienduizend nakomelingen hebben: daar valt niet tegen op te slaan of te vergiftigen.''

Het vergiftigen van ratten blijkt overigens niet eenvoudig. Deobhankar somt met enige gretigheid de verschillende manieren op om ratten met gif te bestrijden. Het voornaamste onderscheid is tussen single dose- en multiple dose-gif: direct werkend of pas na vier á vijf dagen telkens kleine doseringen. ,,In Bombay hebben we veelal te maken met de Rattus Rattus, ofwel de huisrat, een zeer intelligent dier. Hij heeft een soort intuïtie om uit de buurt te blijven van vergif. Hij legt snel verband tussen wat hij eet en hoe hij zich voelt. Poison-shyness noemen we dat. Dat betekent dat je soms met verschillende vergiften in de weer moet. Eén van de vergiften is wafarine: een multiple dose-vergif dat de bloedstolling tegengaat. De rat krijgt na een paar dagen inwendige bloedingen en `verbloedt'. Een middel dat we gebruiken om rattenholen op te ruimen is aluminiumfosfide; tabletten van 3 gram waaruit, als het in contact komt met vocht, het acuut dodelijke fosfinegas ontstaat. Soms mogen we alleen ratten vangen, ze niet vergiftigen. Dat is het geval in de pakhuizen die eigendom zijn van Jaïns. Hun religie verbiedt het doden van elk levend wezen, hoe klein of hoe schadelijk ook. We mogen echter wel vallen zetten en de gevangen ratten meenemen en later doden. Als het maar niet onder hun ogen gebeurt.''

Samen met de dieren die worden dood gemept en in vallen gevangen – en later verdronken – is de dienst van Deobhankar jaarlijks goed voor zo'n vierhonderdduizend gedode ratten. Een fractie van het aantal dat Bombay bevolkt, weet ook Deobhankar. De havenstad ligt op een schiereiland: een ideale plek voor een waterliefhebber als de rat. Hoeveel ratten Bombay telt, durft hij niet te schatten: ,,Sommigen zeggen dat er op elke inwoner van Bombay vijf à zes ratten zijn. Dat zou betekenen rond de zestig miljoen ratten. Ik daag ze uit te vertellen hoe ze aan zo'n cijfer komen. Dat kunnen ze niet. Maar ik ben niet zo geïnteresseerd in cijfers. Mijn taak is het om het aantal ratten binnen aanvaardbare proporties te houden. Dat bereik ik niet door zoveel mogelijk ratten te doden, maar de leefomstandigheden voor de rat zo onaantrekkelijk mogelijk te maken. Daarvoor heb ik echter wel de hulp van de inwoners van Bombay nodig. Het belangrijkste is dat ze leren hun eigen leefomgeving schoon te houden. Helaas schort het daar nogal aan. Maar ook de gemeente is niet vrij te pleiten: de capaciteit van de afvalverwerking schiet tekort. Van de 5.500 ton afval per dag, blijft 500 ton liggen. Een groot probleem is dat de vuilnisbelten van Bombay over tien jaar vol zijn. Waar het afval daarna naar toe moet, weet niemand.''

Luid getoeter kondigt de komst van de `rattenauto' aan. Achterin de open laadbak staan 23 grote metalen vaten vol dode ratten: zo'n 1.200 moeten het er zijn. In een aanpalend gebouw kieperen twee mannen met monddoekjes voor de vaten leeg: elk stadsdeel heeft zijn eigen gecodeerde plaats. De meeste ratten zijn grijsbruin en zo'n twintig centimeter lang. Maar er zitten ook joekels van veertig centimeter tussen, kleine zwarte en, zo te zien, een moederrat met vijf kleintjes. De dode beesten stoten een penetrante walm uit.

In dezelfde ruimte bevindt zich het laboratorium waar de ratten steekproefsgewijs onderzocht worden. Met een geroutineerde beweging snijdt een laborant de buik van een rat open. Hij peutert de lever eruit en bekijkt deze nauwkeurig. Dan schraapt hij wat leverweefsel los en brengt dat aan op een microscoopglaasje: pas na onderzoek onder de microscoop is met zekerheid te zeggen dat de rat geen pest had. Hoewel er sinds 1952 in Bombay geen pest meer is geconstateerd – zowel bij de rat als bij de mens – is de gemeente wettelijk verplicht te volharden in de pestcontrole.

Over de pest die vijf jaar geleden ook internationaal zo'n opschudding veroorzaakte is Deobhankar kort: ,,Het was geen pest. Als het echt pest was geweest, had er in Surat eerst een grote rattensterfte moeten plaatshebben: dat was niet zo. Daarnaast had de pest razendsnel om zich heen moeten grijpen, wat voor quarantainemaatregelen ook waren getroffen. Ik geloof dat er in totaal slechts zestig slachtoffers zijn gevallen. Waaraan zij zijn overleden is nog steeds niet duidelijk.

,,Het voordeel van alle ophef is dat de Indiër de rat sindsdien toch met andere ogen bekijkt. Men begon op grote schaal ratten te doden, wat op dat moment overigens niet verstandig was. De vlooien van een gedode rat gaan immers op zoek naar een nieuwe gastheer en dat kan een andere rat maar ook de mens zijn. Zo verspreidt je de pest juist. Daarnaast begon men met grote schoonmaakacties. Helaas was dat van korte duur. In veel wijken gooien de bewoners het vuilnis allang weer overal neer. En dan komen ze hier klagen dat ze zo'n last hebben van ratten...''