Bewoners van bronmilieus

Bronmilieus zijn er in Nederland maar weinig. Ze komen voor in Twente, Zuid-Limburg en in heuvelachtige delen van Gelderland, zoals de Veluwezoom, Montferland en het Rijk van Nijmegen. De meeste bronnen ontspringen op een stuwwal of andere hogere gronden, ingesneden door een oud rivierdal. Het heldere, ondiepe bronwater heeft een constante temperatuur van zo'n 10 graden Celsius. 's Zomers is dat aan de koele kant, 's winters juist tamelijk warm. Dat maakt het bronmilieu veel stabieler dan de meeste andere watermilieus.

Het water, dat al slingerend zijn weg zoekt, zorgt voor erosie van de buitenbochten, terwijl de binnenbochten juist aanzanden. Op de beekbodem ontstaat een mozaïek van grovere en minder grove keitjes, fijn zand en humus, gevormd uit afgestorven waterplanten. Op die verschillende substraten leven tal van gespecialiseerde beestjes. Zoals de kokerjuffers, larven van de schietmot die leven in zelfgekitte kokertjes van aan elkaar geplakte zandkorrels die je in kleine hoopjes op het grind ziet zitten. Dankzij die kokertjes spoelen ze in het snelstromende beekwater niet van hun plek en intussen leven ze van stukjes plantaardig afval die ze uit het stromende water filteren. Na het verpoppen krijgen ze vleugels, als schietmotten kunnen ze nieuwe geschikte plekken ontdekken. Er bestaan zo'n 200 verschillende soorten kokerjuffers, die zich in meer of minder vervuilde beken thuisvoelen. Langs de Springendalse Beek komen enkele zeer zeldzame kokerjuffers voor. Er leven ook bijzondere soorten platwormen, die traag tegen de stroom opkruipen, terwijl het water over ze heen spoelt.

Ook de beekprik, een klein, groenig visje uit het schemergebied tussen gewervelde en ongewervelde dieren, hoort hier thuis. Dit is een parasiet die met zijn ronde bek andere, `echte' vissen leegzuigt. Hij leeft wel een jaar of zes als larve in de beek. Daarna maakt hij een korte volwassen fase door, waarin hij helemaal geen voedsel meer opneemt. Kortgeleden is de beekprik ook in de Springendalse beek ontdekt. Het betreft een nogal eenzame populatie, want verder komt de soort in de wijde omtrek niet voor.

Hoewel het water stroomt, staan de bronbewoners niet met elkaar in contact: het bronmilieu bestaat uit een hele reeks puntlocaties. Vroeger werd de verspreiding van karakteristieke soorten misschien in de hand gewerkt door bijvoorbeeld elanden, die al grazend langs de beekoevers trokken. Tegenwoordig spreekt men van `bevroren arealen'. Herkolonisatie kost tientallen, zo niet honderden jaren.

Het plan is om het gebied langs de Springendalse Beek te laten verbossen. Volgens hydro-ecoloog André Jansen (KIWA) horen hier elzenbossen thuis, liefst met een goed ontwikkelde kruid- en moslaag. Een beschaduwde beekloop is wat koeler en daardoor meer geschikt als leefgebied voor allerlei zeldzame en bijna uitgestorven beekbewoners. Door de bladval van de bomen langs de beek zal het milieu ook iets meer geschikt worden voor allerlei plantenetende organismen.

Naast de fauna is ook de flora in en om de beek de moeite waard. Twee plantengemeenschappen zijn karakteristiek voor bronmilieus. De Goudveil-associatie houdt van kalkrijk water en beschaduwd milieu. De Bronkruid-associatie houdt van zacht tot matig hard water en onbeschaduwde milieus. Het gebied rond de Springendalse Beek is de enige plek in Nederland waar deze twee voor bronnen karakteristieke plantengemeenschappen allebei nog voorkomen. Vroeger was dat volgens botanicus Eddy Weeda ook bij Arnhem het geval, maar daar zijn de brongebieden nogal onder de voet gelopen.

Bij Springendal groeit het Paarbladig goudveil nog in grote, sappige kussens. De plant is zeldzaam en bedreigd, maar daar waar hij in zijn element is, groeit hij uitbundig. Daarnaast komen soms ook het Ruwbeemdgoudveil en het Beekstaartjesmos voor. Op minder beschaduwde groeiplekken worden deze karakteristieke mossen vaak verdrongen door stikstofminnende soorten zoals brandnetels.