Twee meisjes

Het was aan het begin van een warme zaterdagmiddag, midden in de zomer. Strandweer, zwembadjes in achtertuinen, een vliegtuig hoog in de lucht. Ik zette de radio aan en hoorde nog net Vic van de Reijt in gesprek met Jack Spijkerman. Ze waren, zo begreep ik, aan het eind gekomen van een twee uur durend programma over Nederlandstalige muziek. Veel was helaas nog ongezegd gebleven, zoals dat nu eenmaal gaat in marathoninterviews. En Van de Reijt had uit de platenkoffer die hij mee had mogen nemen naar de studio nog lang niet alles kunnen laten horen. Maar de laatste minuten zou hij niet zomaar door zijn vingers laten lopen: die waren gereserveerd voor een van zijn favorieten, Raymond van het Groenewoud, met een nummer dat blijkbaar geen nadere introductie behoefde en voor de ware kenner van het Nederlandse lied voor zichzelf sprak. En daar dwarrelde vanuit de ether een eenvoudig, breekbaar en loom liedje mijn bovenkamer in. Ik had het nog nooit eerder gehoord. Het klonk verbluffend simpel en licht, met een verbluffende tekst:

Twee meisjes op het strand

Ze lezen modebladen.

Met die twee beginregels was eigenlijk alles al gezegd. Strand: zee, zon, vakantie. Twee meisjes: zwoele verwachtingen en zekere mogelijkheden, in het erotische. Lectuur van modebladen: sfeer van afwachting, tussenleeftijd, nog geen vriendjes. Want jonge meisjes graven kuilen en oude meisjes liggen alleen maar te flikflooien - meisjes die modebladen lezen hangen daar ergens tussen in, horen nergens bij en zijn de hele dag vooral druk met wachten, tot hun tijd gekomen is.

Bij die vage tussenindruk van in verder niet met name genoemde modebladen `lezende' tussenleeftijdmeisjes voegde zich ook het typische Van het Groenewoud-timbre met zijn moeilijk te benoemen tussentonen: licht melancholiek, licht spottend en licht lullig tegelijk.

Wat doen de meisjes daar aan het strand nog meer? Niet veel - om het kort samen te vatten. De rest van het lied bevestigt de indruk die door de openingsregels al gewekt werd: hier zitten twee meisjes op een anoniem strand te doen wat meisjes op stranden doen.

`Twee meisjes op het strand/ Ze lezen modebladen/ Ze kijken in het rond/ Ze dromen van een prins.// Ze zoeken in hun tas/ Ze wijzen naar de foto's/ Ze schudden met hun haar/ Ze praten met een vriend.'

Het is een lied van losse zinnetjes, die ons allemaal op dezelfde licht afstandelijke toon worden meegedeeld - want `zingen' kun je het praten van Van het Groenewoud moeilijk noemen. Zou er verband tussen die zinnen zijn? Er is eigenlijk niets wat daarop wijst, en wie er toch naar op zoek gaat voelt zich al gauw een uitslover. Het gaat in dit lied om een sfeer, een gevoel, een archetypisch strand, opgeroepen door het louter noemen van trefwoorden, rituele handelingen en symbolische voorwerpen. Surfplank. Zonnebrand. En de tijd staat stil - of, zoals de dichter het nogal knullig formuleert: de wijzers houden op: `Twee meisjes op een plank/ Gedragen door de golven/ Het branden van de zon/ De wijzers houden op.'

Hiermee is het thema van de tijd geïntroduceerd - en dat is meteen het moment waarop het zomerstrandlied even wegzinkt in tobberige puberwijsheden, vage nachtsuggesties en vreemde woordgeslachten (het deken), om daarna in de slotregel weer terug te keren naar de modebladen uit het begin: `De dag brengt ouderdom/ De nacht brengt vreemde uren/ Het deken is zo zwaar/ Een bladzijde slaat om.'

Mooi: een bladzijde die (uit) zichzelf om slaat, dan wel door de wind wordt omgeslagen, met de sterke suggestie dat de bladzijde in kwestie niet gelezen is. In de slotregel zou je de lege kern van dit lied uitgedrukt kunnen zien, tevens het wezenloze wezen van een hete zomerdag: een ongelezen blad dat uit arren moede maar begonnen is zijn eigen bladzijden om te slaan. Het lied rijmt niet, de regels lopen niet lekker, het gedicht komt zestien regels lang niet echt van de grond: alsof het allemaal gezien werd door de ogen van een zonnebadende strandgast, die zestien keer zijn ogen opsloeg, doezelend iets waarnam en daarna zijn ogen weer sloot.

Na de laatste regel nam de reclame en de radionieuwsdienst het over, zodat ik meende een mooi kort, wonderlijk zuiver en verrassend licht strandlied gehoord te hebben. De werkelijkheid is anders. `Twee meisjes' is te vinden op de CD Ik ben god niet, uit 1996. Daar blijkt op dit tweeënhalve minuut durende liedje nog een minuut te volgen met de nodige themaherhalingen en modulaties. In die minuut is Van het Groenewoud even naar het magazijn gelopen om een hele grote elektrische gitaar op te halen, waarop hij zich vervolgens gaat uitleven - in een bespottelijk lange, zwaar gierende buurthuisband-clichéhardrock-gitaarsolo van nog eens ruim een minuut. Pas daarna keerde het lied terug naar het simpele pianowijsje waarmee het begon.

Het maakt het moeilijk dit lied te duiden, zoals wel vaker bij Van het Groenewoud. Wil het een kort, simpel en zuiver zestienjarig liedje zijn, of wil het ook spelen met de tradities van tientallen jaren popmuziek? Ontroering of parodie, daarin schuilt de verwarring, en de tragiek. `Twee meisjes' is het lied van iemand die nog onbevangen door de ogen van de jeugd om zich heen kan kijken, en die tegelijk weet dat hij de oudere jongere is die het allemaal voor de zoveelste keer ziet gebeuren. Dat geeft aan deze twee meisjes met hun modebladenlectuur iets dubbelzinnigs - en ook iets uitgesproken treurigs.