Onmisbaar Servië

Op 5 juni 1947 hield de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, generaal Marshall, een rede aan de Harvard Universiteit, waarin hij de bereidheid van zijn regering aankondigde de Europese landen waarvan de economieën door de Tweede Wereldoorlog ontwricht waren, te helpen met het herstel daarvan. Dit plan is de geschiedenis ingegaan als het plan-Marshall en heeft inderdaad machtig bijgedragen aan het herstel en, indirect, aan de welvaart van West-Europa.

Maar Marshall stelde een voorwaarde: de Europeanen moesten zelf met een gemeenschappelijk plan voor een structureel herstel van hun economisch leven komen. De Verenigde Staten wilden niet met elk land afzonderlijk onderhandelen. Daarmee hebben zij eigenlijk de eerste stoot gegeven aan het nog steeds onvoltooide Europese eenheidswerk.

De Europese landen hebben die voorwaarde aanvaard (konden in feite ook niet anders), en zo ontstond al het volgend jaar de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking, een intergouvernementele club van zeventien landen (in 1949 kwam de Duitse Bondsrepubliek erbij).

Wie meer van deze vroege vorm van Europese samenwerking wil weten, leze het onlangs uitgekomen boek van dr. W.H. Salzmann Herstel, wederopbouw en Europese samenwerking: D.P. Spierenburg en de buitenlandse economische betrekkingen van Nederland 1945-1952 (Sdu, Den Haag). Spierenburg, thans 90 jaar oud, was in die jaren een van de topambtenaren die de onderhandelingen over het plan-Marshall voerden.

Waarom daaraan nu herinnerd? Welnu, vorige week hebben een dertigtal Europese landen (plus de Verenigde Staten, Canada en Japan) in Sarajevo besloten tot een stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa (zeg maar: de Balkan), en ook hier is regionale samenwerking tussen de desbetreffende landen een voorwaarde voor hulp, waarvan de omvang overigens nog vastgesteld moet worden, maar die wel grotendeels uit West-Europese beurs zal komen (minister-president Kok heeft al een half miljard gulden per jaar toegezegd).

Op het eerste gezicht zijn er inderdaad parallellen tussen de toestand waarin West-Europa zich in 1947 – twee jaar na het eind van de oorlog – bevond, en die van de Balkan nu. Alleen was er in West-Europa, hoe vernield dat deels ook was, nog een grote mate van economische en technische expertise over. Ook was er een goed lopend rechtssysteem evenals een over het algemeen bekwaam en betrouwbaar ambtelijk apparaat.

Die voorwaarden voor economisch herstel ontbreken grotendeels in de Balkan – niet zozeer als gevolg van de burgeroorlog die sinds 1991 in het voormalige Joegoslavië gewoed heeft als wel als gevolg van vijftig jaar communisme, waardoor wat dàt betreft de betrokken landen veel erger achterop zijn geraakt dan de West-Europese landen na twaalf, zeven of vijf jaar nationaal-socialisme of (wat Italië aangaat) 23 jaar fascisme.

Sommige van de Balkanlanden – en dan valt in de eerste plaats aan Albanië en Kosovo te denken – hebben zelfs nooit een eigen staatsstructuur gehad, die een minimum aan loyaliteit ten opzichte van de eigen staat vooronderstelt. Daar is het het stammenpatroon dat overheerst, met de daarbij horende verschijnselen als bloedwraak. Als er in Kosovo, vergeleken met Albanië, een zeker gezag en een zekere welvaart heersten, dan kwam dit doordat het onderdeel uitmaakte van een niet-Albanese eenheid: Joegoslavië.

Deze toestand maakt het niet alleen moeilijk dat de hulp die gegeven wordt, ook renderend zal zijn, zodat op den duur de economie op gang komt en eigen welvaart genereert, maar ook dat er weinig prikkel zal bestaan tot regionale samenwerking – tussen volken die in de eerste plaats op eigen herstel uit zijn en bovendien een traditie kennen van onderlinge moord en doodslag. Kortom, het herstel zal veel moeilijker en langzamer gaan dan in West-Europa een halve eeuw geleden.

Hoe moeilijk en hoe langzaam, dat laat Bosnië zien, waar volgens het akkoord van Dayton moslims en Kroaten verwacht werden broederlijk samen te werken. Daar is zowat niets van terecht gekomen. Daarom klinken de woorden in het slotdocument van Sarajevo, dat deze stad ,,symbool is voor multi-etnische multi-religieuze en multiculturele eerbied en verdraagzaamheid'', als een bittere grap.

Er is nog een parallel te trekken tussen 1947 en 1999. Al heel gauw was het duidelijk dat herstel van West-Europa niet mogelijk zou zijn zonder het verslagen en nog bezette Duitsland erbij te betrekken. Frankrijk verzette zich daar aanvankelijk hardnekkig tegen. Nederland daarentegen bepleitte, gesteund door de Verenigde Staten, even hardnekkig de integratie van zijn Duitse achterland, waar het economisch zo afhankelijk van was. Ten slotte is dat ook gebeurd.

Economisch herstel van de Balkan is vrijwel onmogelijk zonder dat Servië tevens de vruchten plukt van het Stabiliteitspact. Het ligt midden in de regio, zoals landen als Roemenië en Bulgarije hebben gemerkt toen hun handel met het Westen grotendeels geblokkeerd werd, nadat de NAVO de vaart langs de Donau onmogelijk had gemaakt door bombardering van de bruggen bij Novi Sad. De economie van de twee genoemde landen, die net op gang leek te komen, kreeg een enorme klap.

Maar het is niet alleen de geografische positie van Servië die dit land een sleutelpositie geeft in de Balkan. Doordat Joegoslavië al in 1948 met het communisme van Moskou gebroken had, zijn zijn hele economie en hele onderwijssysteem steeds meer op het Westen georiënteerd geweest. Dat heeft natuurlijk gevolgen gehad voor zijn welvaart en de kwaliteit van zijn technische en intellectuele kader. Zelfs de achtergebleven provincie Kosovo was een paradijs, vergeleken met het eigenlijke Albanië, dat altijd streng geïsoleerd was gebleven.

Ook om die reden is Servië eigenlijk onmisbaar in elk herstelplan dat voor de Balkan geldt, maar in Sarajevo is Servië buiten het Stabiliteitspact gehouden, zolang Miloševic er de macht heeft. Dat is begrijpelijk, na alles wat hij sinds 1991 op zijn geweten heeft. Maar hoe lang zal die deballotage duren? Een spoedige verwijdering van Miloševic (vreedzaam of niet) is niet in zicht. Trouwens: een alternatief dat zowel voor de Serviërs als voor de buitenwereld acceptabel is evenmin.

Zo heeft het Westen zich, noodgedwongen, de totstandkoming van welvaart en eenheid in de Balkan, toch al een bijna ontmoedigende taak, nog moeilijker gemaakt. Optimisme over de directe toekomst van deze regio is dus nauwelijks gerechtvaardigd. Als ergens de aan Willem de Zwijger toegeschreven woorden: ,,Men hoeft niet te hopen om iets te ondernemen...'' van pas zijn, dan hier.