`My fokking Krone für ein Pferd!'

Toneelbloed spuit, de koning loopt in onderbroek: Luk Percevals regie van Tom Lanoye's Shakespeare-bewerking Ten Oorlog! is in Oostenrijk confronterender dan in België.

Zomeravond na zomeravond kleurt bloed de Salzach rood, de snelstromende rivier die de Oostenrijkse barokstad Salzburg doorsnijdt. Niet ver daar vandaan, in Hallein, speelt in een voormalige zoutfabriek het toneelstuk Schlachten!, de Duitse versie van de Shakespeare-marathon Ten Oorlog! van schrijver Tom Lanoye en regisseur Luk Perceval uit 1997. De zoutfabriek met zijn immense hallen, gebarsten ruiten, hoge muren rondom de binnenplaats bezit de robuustheid van een koningsburcht. De Salzach glijdt er aan weerskanten langs en maakt van de burcht een eiland. De liters toneelbloed, symbolisch natuurlijk, vloeien uit de lichamen van acteurs en actrices die koningen en koninginnen spelen; zelfs hun kinderen, de erfelijke opvolgers, vinden de dood door wapens als messen, zwaarden, een stiletto en zelfs de revolver.

Schlachten! is een nog treffender titel dan Ten Oorlog! De voorstelling is een gestileerd gruwelkabinet van wrede moordpartijen en geronnen bloed, dat aan de handen van de moordenaars kleeft. Alweer zo'n tien jaar geleden wilde regisseur Perceval het koningsdrama Richard II op de planken brengen. Meteen stuitte hij op de schuldvraag die het stuk beheerst: waarom doodde Richard zijn oom Gloster? Perceval las de andere tragedies die samen de zogeheten Wars of the Roses, de Rozenoorlogen, vormen, Shakespeares cyclus over koningsmacht aan het eind van de zestiende eeuw. De twee delen van Henry IV behoren daartoe, vervolgens Henry V, het driedelige Henry VI en tot slot Richard III. Zelden opgevoerde, avondvullende drama`s vol nauwelijks te ontwarren intriges en complotten, duisternis van kastelen en gevangenissen en hopeloze slagvelden.

Schuldvraag

Schrijver Tom Lanoye bewerkte de Rozenoorlogen tot een reeks die hij Ten Oorlog! noemde. Een theatraal drieluik waarin de Richards, Hendriks en Edwards zichzelf, al moordend, tot koning kronen om vervolgens zelf door een nieuwe machthebber te worden verstoten. In dit twaalf uur durende drama verschuift de schuldvraag – wie vermoordde wie en waarom? – steeds meer op de achtergrond, omdat Shakespeare geen moraliteit wilde schrijven. Hij zag in de machtsstrijd tussen koningen en koningshuizen telkens hetzelfde mechanisme, dat van opvolging dank zij moord. Gewetenloosheid als onvervreemdbaar gevolg van machtsverlangen, als een zelfstandige kracht. Uiteindelijk valt, bij Richard III, moordlust samen met het koningschap.

In Duitsland en Oostenrijk, landen waar theater meer dan hier een politieke betekenis heeft, gold de Vlaamse regisseur Luk Perceval al jaren als een Geheimtip. Uiteindelijk is het dan zover gekomen: de fameuze Salzburger Festspiele nodigde Perceval uit Ten Oorlog! in de fabriek op het Perner-Insel ten uitvoering te brengen. Perceval regisseerde maandenlang, hij nam van de eerste produktie in Vlaanderen dezelfde decor-, licht- en kostuumontwerpers mee. De grootste moeite had hij om de acteurs en actrices van het Deutsches Schauspielhaus uit Hamburg, die in de voorstelling staan, het solide Duitse acteren af te leren. ,,Weniger,' moest hij telkens zeggen, ,,weniger Kunst! Einfacher! Nicht so forciert!' Met zijn eigen gezelschap De Blauwe Maandag Compagnie had hij een verinnerlijkte speelstijl ontwikkeld. Maar acteurs als Wim Opbrouck als Richard II en Falstaff of Jan Decleir in de verliederlijkte rol van Richard III vergezelden hem niet over de grens.

Voordat de voorstelling 's morgens om elf uur begint, nippen de toeschouwers aan de sekt. Vrouwen dragen kostbare toiletten met opgeduwde decolletés. Mannen in het tweedelig zwart. De spitse, magere acteur Roland Renner is de eerste vorst die optreedt, Richard Deuxième. Nooit eerder zag het Duitse publiek een Shakespeareaanse koning zo naakt, zo zonder enige opsmuk: kaalgeschoren hoofd, blote bast, stakige armen, een wijdvallende en opzwaaiende plissérok – en ook daaronder is hij naakt. De Bühne strekt zich kaal en leeg uit, een plankenvloer dient tot speelvlak. Renner houdt de koningskroon eerbiedig in zijn hand, zet hem op het hoofd. Dit felbegeerde voorwerp vervult alle drama's door de stille hoofdrol. Wim Opbrouck speelde in Ten Oorlog! deze Richard Deuxième heupdraaiend, vrouwelijk bijna, met zijn immense bovenlijf heen en weer wiegend. Het was even wennen Opbroucks gestalte uit mijn herinnering te wissen en alle aandacht te schenken aan de messcherpe verschijning van Renner.

Vage vete

Al voor de première werd gevreesd dat het vedettentheater van de Duitsers volgestouwd was met trucage. Niets is minder waar. Vanaf het begin boeit de levendige, gedreven inzet van de spelers. In woedeuitbarstingen zijn ze meesterlijk, de ogen rollen zowat uit de kassen. Het spel van de handen geeft een fraaie begeleiding van de tekst. Voor alles klinkt die zeldzaam geschmeidig (soepel). Het is de taal van Goethe, Schiller en Hölderlin, van Der Erlkönig, maar ook van Befehl ist Befehl! en soldatesk machtsvertoon. Het origineel van Tom Lanoye, dat uitmunt door zijn rijkdom aan indringende beelden, klankovereenkomsten en muzikaliteit, is door de vertalers Rainer Kersten en Klaus Reichert even spits waar het spits moet zijn, even poëtisch als dat zo moest en even grof, hels en onbarmhartig waar nodig übersetzt. Goethe zou het niet voor mogelijk hebben gehouden dat dit met zijn taal mogelijk is. Zo begint Schlachten1: ,,Mein weiser greiser Ohm, Johann von Gent,/ Des Adlerschwingen das erlauchte Nest/ Von Lancaster wie einen Schatz beschirmen,/ Erzählt mir: ist die Klage Eures Sohns -/ Des hitzig helmbuschwehenden Cousins -/ Begründet in bewisbarem Verrat/ Oder vielmehr in vager, feiger Fehde?' Dat we nu in het Duitse rijk zijn, en niet langer op een Engels eiland, weten we meteen door dat prachtige Adlerschwingen, adelaarsvleugels. Het origineel geeft dat niet, Lanoye schrijft: ,,Mijn wijze grijze oom, mijn Jan van Gent,/ Wiens trouwe vleugels het aloude nest/ Van Lancaster beschermen lijk een schat,/ vertelt mij: Is de aanklacht van uw zoon -/ Mijn hevig helmboswuivende kozijn -/ Gegrond op een bewijsbaar, echt verraad/ Of eerder op een vage, valse vete.' Met deze verdachtmaking van verraad ofwel een vage, valse vete is de kern van dit pandemonium gegeven. Driehonderd bladzijden lang, veertig bedrijven, tweehonderd scènes en driehonderd personages zijn nodig om de waarheid te vinden achter verraad of vete en die waarheid heeft maar één naam: moordzucht. Perceval heeft voor zijn beide regies beduidend minder acteurs en actrices nodig: slechts vijftien.

Richard Deuxième sterft eenzaam in zijn gevangeniscel. Renner draagt een wit kleed, hij trilt als een riet, alle waardigheid is verdwenen. Troonopvolger Heinrich IV neemt zijn plaats in, een gedrongen acteur in een fascistisch ogend kostuum. Dat herinner ik me niet van de Nederlandse voorstelling. Percevals regie is uitdagender, confronterender hier in Oostenrijk. Een derde koning draagt slechts een onderbroek. De ontluistering zet zich voort. De volgende, Heinrich VI, een kind nog, is een minderjarige koning die boeken leest en droomt van een schuldeloos, engelachtige meisjes dat cello speelt.

We zijn nu aangeland in het deel Margaretha di Napoli, een door Lanoye bijna geheel nieuw geschreven drama. Nina Kunzendorf, de als een furie acterende titelheldin, probeert in overspelige verhoudingen de macht voor zich te winnen maar wordt, heftig en naakt vrijend in het buitenechtelijke bed, bloedig vermoord. Vanaf dit ogenblik is er geen houden meer aan. De acteurs en actrices spelen in hogere versnelling, er brandt vuur in hun fysiek, in hun taal. Het dondert uit hun mond zoals het alleen Teutoons kan donderen. Als soldaten in opstand komen tegen hun veldheren, dan breken ze stoelen aan flarden. Ze gooien kinderspeelgoed naar de toeschouwers. De in Duitsland zo geheiligde vierde wand, die onzichtbare scheidslijn tussen speelvloer en zaal, wordt doorbroken. Tom Lanoye is een slagerszoon, dat heeft hij vaak geafficheerd. En van Shakespeare maakte hij een butcherboy.

Dat woord, butcher, klinkt in het slotdeel Dirty Rich Modderfocker der Dritte (Richard III), geregisseerd als een gangsterdrama waarin een mixture van Engels en Duits een nieuwe, gewelddadige taal vormt. Het is als in de films Reservoir Dogs van Tarantino of Mean Streets van Scorsese. Jan Decleir beeldde eerder deze Risjaar Modderfokker Den Derde uit. Onvergetelijk moordde hij, zelfs kinderen tegen wie hij eerst zo charmant en lief deed. Het ontstellende had een gezicht gekregen. Zijn taal verbrokkelde tot onsamenhangend gestamel. Thomas Thieme treedt in zijn plaats, een acteur die voornamelijk bestaat uit wijd over zijn broeksband koepelende buik, zwierige benen en een groot hoofd met daarin opmerkelijk kogelronde ogen die helblauw opflitsen. Hij bezit een verraderlijk zachte stem verscholen in dat grote lijf. Bij eerste aanblik een goedmoedige lobbes, zoals hij daar staat met omgeslagen broeks–pijpen. In hem huist echter de volstrekte kilte van de moordenaar pur sang. In deze creatie bereiken Shakespeare, Perceval en Lanoye het toonbeeld van wat zinloze gruweldaden vermogen. Hij is de huurmoordenaar next door. Zo begint hij: ,,Now is the fokking winter unsres Würgens/ Befreit vom Eis zu einen heissen Sommer. (-) Der Schlachtengott wird fett and smiles like Buddha...' Ofwel: ,,Now is the fokking winter van de walg/ Gesmolten tot een hotte zotte zomer. (-) Die Oorlogsgod zwelt op and smiles like Buddha...' Een `Schlachtengott' is huiveringwekkender dan een `Oorlogsgod'. Slachten doet deze Dirty Richard. Tegen de toeschouwers roept hij `Bye-bye du Rundvieh' en jegens Lady Anna, de vrouw wier man en kinderen hij doodt, verdedigt hij zich met: ,,The butcher and the reason, baby, is:/ Your beauty.' De reden van dit slagersgedoe, schat, is jouw schoonheid. En hij legt uit, na de zoveelste moord, ditmaal door de tegenstander tot stikkens toe onder water te houden: ,,One thing I'll teach the world - kost keinen Schilling- / There is tremendous poetry in killing.' Hij veegt zijn handen af en is de onschuld zelve. Maakt danspasjes.

Kindervlees

Thieme acteert zijn ondergang in de verloedering met tergende en onthutsende eerlijkheid, ja, mededogen dwingt deze `Schlachtengott' af. Hij eet een gebraden kip gevuld met kindervlees. Zijn ogen staan strak van ontzetting, hij kruipt over de grond, drinkt rode wijn, lijdt aan waanbeelden. Hij sterft, vergiftigd door weer een nieuwe koning, Richmond. Op de grond liggend stamelt hij achter elkaar, als in een ritueel gebed, zijn laatste smeekbede naar de zwarte toneelhemel van de zoutfabriek: ,,A horse! My fokking Krone für ein Pferd.' Of ook: ,,A horse! a horse! my kingdom for a horse!'

Het is op een uur na middernacht als het toneellicht dooft. Een stormende ovatie klinkt op, de toeschouwers roffelen met hun voeten ten teken van bijval. De acteurs zijn blij verrast. Ondanks alle tegenwerking door de autoriteiten, de aanvankelijk terughoudende recensies en zelfs een kortstondig uitgevaardigd verbod omdat de voorstelling schadelijk zou zijn voor kinderen, heeft de voorstelling het pleit gewonnen. Het applaus duurt. Het zaallicht is, na deze uitbeelding van menselijke ontwording en teloorgang, ineens helder en wijd.

Buiten stroomt de donkere Salzach langs het Perner-Insel. Het is of ik over een ophaalbrug dit gedoemde koningskasteel verlaat. Zag ik gewelddaden, was er een overdaad aan naakt? Zoiets te denken, betekent niet kunnen kijken. Dirty Rich der Dritte vocht, na alle andere gevechten, uiteindelijk tegen zichzelf. En verloor roemloos. Geweld is niet heroïsch, geweld is verslavend en leidt tot zelfvernietiging. Dat is de troost, de bevrijdende gedachte, die gloort achter Schlachten! Lanoye noemt het laatste deel niet voor niets En verlos ons van het kwade ofwel: Und erlöse uns von dem Bösen. De voorstelling dwingt ons te denken: schuilt in onszelf of in wie dan ook niet een Dirty Rich der Dritte? Het kwaad is onvervreemdbaar, zoals de heftige storm van seksualiteit bij de liefde hoort. De ondertoon, de verborgen betekenis van Schlachten!, is dan ook de roep om compassie. Dirty Rich doet niet anders; hij smeekt, vraagt om aandacht, is gevangen als de kwade kogel in de revolver die hij zo rijkelijk leegschoot.

Marthaler

Ontluistering, ontmaskering: het zijn, behalve voor Schlachten!, de sleutels tot een andere belangwekkende regie in Salzburg. Ditmaal speelt de voorstelling zich af in het Landestheater vlakbij Schloss Mirabell. Het gebouw is een toonbeeld van barokke hofkunst. In de vorige eeuwen was het een balzaal, hier zwierde men op walsen ruisend rond. De Zwitsere regisseur Christoph Marthaler, die in Nederland bekendheid geniet om zijn minutieuze uitbeeldingen van Tsjechov en Canetti, koos een komedie uit van Ödön von Horváth (1901-1938). Zür schönen Aussicht heet het stuk, zich afspelend in een vervallen hotel aan een meer waar beschonken landadel en ontwortelde eenlingen de tijd doden. De Oostenrijkers beschouwen Horváth als hun schrijver, wat onterecht is. Hij is van Hongaarse afkomst, werd geboren in Fiume (Rijeka). De première liep uit op een klein society-schandaal: na een half uur verlieten de eerste toeschouwers al de zaal, luidruchtig de deuren achter zich dichtslaand. In de foyers roezemoesde het: het is toch `blödsinn' dat een Zwitser onze Ödön regisseert, en zo ordinair. Er was tijdens de voorstelling geen spoor terug te vinden van de gespannen, intense aandacht als bij Schlachten!

De mondaine toeschouwers zagen en hoorden wat ze niet wilden: een desolaat jaren vijftig interieur als decor, Zwitserse acteurs die het Oostenrijks van Horváth stukkauwden, een barpianist die op elk dramatisch moment verschrikkelijke jengelmuziek speelde als Don't cry for me, Argentina of UnaPaloma blanca. Het meubilair viel uiteen van ellende, de spijskaart kleefde vol viezigheid en een acteur priemde jennend met een wijsvinger uit zijn broek.

Marthaler heeft een obsessie voor het toneel als een déconfiture. Zijn personages zijn armetierige schlemielen, aan lager wal geraakten die op sokken rondlopen en door scheve brillen met bijziende ogen door de wereld gaan. Ze gooien pijltjes naar een wandbord met de kaart van Europa daarop of wroeten in elkaars neus. De adellijke dame op leeftijd zwaait met haar onderrok door de lucht en deelt het hotelbed met wie wil. Die kaart is een veelbetekend detail. Horváth schreef het stuk tussen de beide wereldoorlogen. In de regieaanwijzing geeft hij: ,,Eine mächtige alte Karte von Europa hängt an der Wand.' De pijltjes die in de kaart steken zijn als de zwaarden die in Schlachten! geheven worden: oude rijken, een oud vorstendom of de monarchie moet aan flarden. Het eens zo machtige Europa versplinterde voorgoed na de Eerste Wereldoorlog.

Toonde Perceval personages die aanvankelijk allure en enige koninklijke grandeur bezaten tot uiteindelijk de laatste flinter beschaving verdween, Christoph Marthaler regisseert hen als lieden behept met een groot en klemmend onvermogen tot leven. Zij zijn de nazaten van Dirty Rich der Dritte in zijn laatste nachtmerrie: niets meer te betekenen, niemand die zich om hen bekommert of begrip schenkt. Gedesillusioneerd door wat het leven niet gaf.

Dus gooien ze verveeld met pijltjes, drinken Salzburger Stiegl-bier en neuriën mee met Don't cry for me. De adellijk dame uit Zur schönen Aussicht legt de vinger op de wonde: ,,Men zegt dat iedere moeder haar kind het mooiste vindt. Meine Mutter hat aber darüber nicht nachgedacht.'

Schlachten! op Perner-Insel, Hallein (t/m 22/8) en Zur schönen Aussicht in Landestheater, Salzburg (t/m 27/8). Salzburger Festpiele, inl. en res.: 0043-662-844501. E-mail: info@salzb-fest.co.at.* Schlachten! beleeft op 2/10 de Duitse première in Deutsches Schauspielhaus, Hamburg.