Moord en waanzin in Caribië

De Caraïbische literatuur is er een die je bedwelmt met geuren en dromen maar je nooit ongevoelig laat voor de pijn. Het is een literatuur van driften en kleuren, maar, vooral in de laatste generatie, een van emigratie. `Het is waar dat we steeds terugkeren en weggaan en weer terugkeren,' schrijft Pauline Melville in een van de beste verhalen in de door Lucia Nankoe samengestelde bundel, `heen en weer over de Atlantische Oceaan, maar aan welke kant van de oceaan we ons ook bevinden, de droom speelt zich altijd aan de andere kant af.'

Het is vooral ook een literatuur van vrouwen - vrouwen in de diaspora doorgaans maar met sterke thematische bindingen met de moeder-regio. Het overgrote deel van deze in het Nederlands vertaalde schrijfsters woont in Europa of Amerika - maar de Caraïben blijven het decor van hun verbeelding. Soms op een heel herkenbare plek als Antigua of Guyana, soms in een soort archetypisch `Caribië' als daar waar het stadje Paradise ligt waar Shani Mootoo haar roman situeert.

Edwidge Danticat, vermoedelijk de bekendste van de hier behandelde schrijfsters, is in haar werk nooit ver weg van Haïti, zelfs al speelt het zich af in Brooklyn of, zoals in deze nieuwe roman, grotendeels in de Dominicaanse Republiek. Danticat heeft blijkbaar de kritiek ter harte genomen dat ze de beperkte thematiek van haar eerste twee boeken (Krik? Krak! en Adem, Ogen, Herinnering, beide ook in het Nederlands vertaald) eens moest verlaten om te laten zien wat ze wérkelijk kan. In dit boek laat ze weliswaar niet haar geboorte-eiland in de steek, maar heeft ze een historische gebeurtenis aangegrepen om de vertelling aan op te hangen.

Voor een begrip van de roman is enige kennis gewenst van een traumatische gebeurtenis in de geschiedenis van dat eiland, dat opgedeeld is in het straatarme en zwarte Haiti op de westelijke en de gemengder en relatief welvarender Dominicaanse Republiek op de oostelijke helft.

In 1937 vond er, met iets te enthousiaste instemming van dictator Trujillo, een massale slachtpartij plaats van Haïtiaanse gastarbeiders in de Dominicaanse Republiek. Tegen de achtergrond van deze gebeurtenis situeert Danticat het liefdesverhaal van de huishoudster Amabelle en de suikerrietkapper Sebastien, beiden potentiële slachtoffers die op de vlucht slaan voor het geweld.

Als we Land voor de levenden situeren binnen de rest van haar oeuvre moet helaas geconcludeerd worden dat Danticat niet helemaal is geslaagd met deze ambitieuze roman. Opnieuw is ze zeer sterk op de vierkante centimeter, de beschrijvingen van de rietplantage, de kleine drama's die zich daar afspelen, de volkse wijsheden (`Het lichaam verschilt niet van fruit of andere dingen die gaan rotten. Het is niet magisch, niet heilig. Het kan ineenschrompelen, verbranden, en het kan net als amber vloeibaar worden in de vlammen. Het stelt niets voor. We stellen niets voor.') Er zijn mooie bijfiguren als de moeder van de gestorven geliefde (`Ik zou willen dat er niet steeds mensen kwamen vertellen dat ze mijn kinderen hebben zien sterven. Ik zou willen dat ik de hoop kon blijven koesteren dat ze nog ergens in leven waren, al zouden ze me nooit meer komen opzoeken.') Maar ze is niet zo overtuigend in het oproepen van de gewelddadigheden die plaatsvinden en levert pas weer ecbt mooie pagina's af als ze haar vrouwelijke hoofdpersoon terug laat keren naar haar geboorteplek op de andere helft van het eiland.

Het verhaal lijkt dan naar een willekeurig einde af te glijden - maar Danticat voelt, terecht, dat haar vertelling 'rond' gemaakt moet worden en laat Amabelle terugkeren naar gene zijde van de grens, naar het huis waar ze als huishoudster werkte vóór de gruwelen. Maar dan is de schrijfster zo te zien de greep al kwijt op wat ze beoogde, en komt niet verder dan een wat verplichte confrontatie die niet voor de zo nodige sterke coda zorgt.

Met Jamaica Kincaid is iets anders aan de hand. Terwijl Danticat de begrijpelijke behoefte voelde zich thematisch te verbreden lijkt het of deze schrijfster haar blikveld bewust blijft vernauwen - en dat met niet al te florissante resultaten. Dit boek over haar broer die aan aids sterft trekt een tendens door die al in Kincaids beide vorige boeken zichtbaar was: van het opschuiven van de autobiografie-grens en het ondergeschikt maken van literaire schepping aan persoonlijke rancune en verongelijktheid. Het maakte het boekje over haar geboorte-eiland Antigua al moeilijk verteerbaar, en het gaf de Autobiografie van mijn moeder een lading mee die moeilijk te verteren viel.

Maar hier gaat de vernauwing nog verder. Ze rekent postuum hardhandig af met de broer die de ziekte geheel aan zichzelf te wijten heeft, ze meldt zonder omslag van woorden dat ze niet van hem hield en dat ze net zo min behoefte heeft hem stervend in haar bestaan toe te laten als toen hij leefde. Waarom dan over hem geschreven? Ook daarover is ze heel eerlijk: `Ik ben schrijfster geworden uit wanhoop, dus toen ik voor het eerst hoorde dat mijn broer doodging wist ik wat ik moest doen om mezelf te redden: ik zou over hem schrijven.' Dat is allemaal wel onthutsend eerlijk in zijn onversierde egoïsme, maar al lezende kan men zich toch moeilijk voorstellen dat Kincaid boeken blijft schrijven om steeds meer lezers een hekel aan haar te laten krijgen.

Dat alles ook nog eens ontsierd wordt door irrelevante persoonlijke terzijdes maakt het boek er niet beter op; al lezende waan je je een insluiper, ongewild getuige van een nare familievete die je helemaal niet wilde meemaken. Met haar wrokkige toon doet Kincaid niets om het verhaal daar bovenuit te tillen, en wie haar oeuvre kent wordt door het gevoel bekropen dat we hier het einde van een schrijverschap meemaken. Tenzij ze zichzelf snel revancheert en thematisch buiten zichzelf treedt.

Speelser, grilliger en beslist verrassender zijn de beide debuutromans van schrijfsters van Aziatisch-Caribische afkomst. Shani Mootoo, die opgroeide in Trinidad, verwerkt in elk geval een (zeker na de beide vorige schrijfsters) verfrissende dosis humor in haar roman over de oude demente Mala Ramchandin en de geheimen uit haar verleden. Het is een verhaal van incest, moord en waanzin, zeer dramatisch, maar Mootoo slaagt erin het zo verbazend luchtig te beschrijven dat de lezer haar makkelijk volgt in de vele stijl- en stemmingswisselingen. Ze specialiseert in types van onduidelijk seksuele voorkeur en in dito relaties, niets lijkt ongewoon temidden van de uitbundige tropische flora van het al even onduidelijke eiland waar het verhaal zich afspeelt. Het plezier dat Mootoo overduidelijk heeft gehad bij het schrijven van deze roman is aan bijna elke pagina af te lezen, en het is die uitbundigheid waartegen de schoonheidsfouten ruimschoots kunnen worden weggestreept.

Erotiek is al evenzeer een hoofdthema in Buxton Spice, het debuut van de uit Brits Guyana afkomstige Oonya Kempadoo. Het is een coming of age roman in een lange traditie, maar een die met veel vaardigheid en ongewone details is geschreven. De deprimerende politieke ontwikkelingen van het land worden met dezelfde puber-blik beschreven als de dorpsruzies, de raciale scheidslijnen en de gezamenlijke ontdekkingstochten langs de ontluikende meisjeslichamen. Kempadoo zet het allemaal luchtig en soms zelfs als terloops neer, maar misschien mede daardoor laat het boek juist een aangenaam-intense indruk achter die, meer dan bij haar hiervoor genoemde collega's, doet vermoeden dat er meer (en nog beter) van deze schrijfster te verwachten valt.

Edwidge Danticat: Land voor de levenden. Uit het Engels vertaald door Nicolette Hoekmeijer. Wereldbibliotheek/NOVIB,

297 blz. ƒ37,90. De Engelse editie, The Farming of Bones, Little, Brown, 310 blz. ƒ42,55

Oonya Kempadoo: Buxton Spice. Uit het Engels vertaald door Irma van Dam. Prometheus, 176 blz. ƒ29,90

Jamaica Kincaid: Mijn broer.

Uit het Engels vertaald door Kathleen Rutten. De Geus, 157 blz. ƒ34,90

Shani Mootoo: De cereus bloeit 's nachts. Uit het Engels vertaald door Peter Abelsen. Contact, 272 blz. ƒ39,90. De Engelse editie,

Cereus Blooms at Night, Granta,

249 blz. ƒ63,85

De komst van de slangenvrouw,

en andere verhalen van Caribische schrijfsters. Verzameld door Lucia Nankoe. Van Gennep/Novib,

220 blz. ƒ36,90