Mentale travestie voor M/V

`Zie je ik wou graag zijn/ jou, maar het kan niet zijn', dichtte Herman Gorter in Verzen (1890). Hij schreef over de liefde. Filmmaker Woody Allen zei bijna een eeuw later iets dergelijks, maar bij hem klonk het meer als een verzuchting altijd met zichzelf opgescheept te zitten: `My one regret is that I am not someone else.' Een dichter en een filmmaker. Beiden gaven uitdrukking aan hun verlangen een ander te willen zijn.

De essays in de bundel Maskerade van Xandra Schutte gaan over uiteenlopende kunstenaars die vormgeven aan hun wens iemand anders te zijn. Zij doen aan `mentale travestie': ze maken mentale reizen op papier of het witte doek, kruipen in de huid van personages van het andere geslacht, van een andere leeftijd, van een andere tijd. Ze zijn op zoek naar nieuwe mogelijkheden, open ruimtes en vrijheid, naar figuren die zich onttrekken aan de hardnekkige culturele tweedeling in man of vrouw, wit of zwart, jong of oud. Schutte schrijft over onder andere Djuna Barnes, Lars Von Trier, K. Schippers, de Franse Orlan die haar lichaam steeds ombouwt, Anna Blaman en Michael Jackson.

Steeds is de leidende vraag: wat bepaalt je seksuele identiteit? Wie denkt dat kleren de man of de vrouw maken, kan in het essay `Hij is een vrouw' lezen over Orlando van Virginia Woolf en The Well of Loneliness van Radclyffe Hall. Volgens Schutte is Woolf veel radicaler dan Hall. Terwijl de lesbische Stephen uit The Well of Loneliness een aangeboren voorkeur heeft voor het tweed jasje, paardrijbroek en mannenlaarzen, is Orlando's identiteit zo veelzijdig als haar garderobe. Ook de stem heeft geen sekse. De castraat is de vocale travestiet, lezen we in het essay `Evviva il corello!'. De biologie dan, de geslachtsdelen? Schutte bracht een bezoekje aan `Fémininmasculin', een tentoonstelling in Parijs, en doet in `0,2 kg 12 x 6 x 5' verslag van gegoochel met het formaat van de mannelijke edele delen.

De boodschap van de essays is steeds dezelfde: vrouwelijkheid en mannelijkheid zijn aangemeten en aangeleerd. Toen ze een jaar of negen was ging Xandra Schutte voor het eerst naar de kapper, kreeg ze een meisjesachtig krullenkapsel en deed ze nog een belangrijke ontdekking: `vrouwelijkheid is zitten met aaneengedrukte knieën'. Vrouwelijkheid, stelt Schutte naar aanleiding van deze ervaring, is geen essentie, maar een rol die je speelt. Je hebt daarbij de keuze uit een aantal culturele maskers. In het essay `Zichtbaar onzichtbaar', over de fotografe Cindy Sherman, legt Schutte uit wat ze hiermee bedoelt. Sherman maakt zelfportretten. Ze verkleedt zich daarbij en probeert iemand anders te worden, door elk spoor van een eigen persoonlijkheid uit te wissen. Honderden foto's maakt ze van zichzelf. Ze poseert in stereotype vrouwelijke poses, en door ze uitbundig na te bootsen en te parodiëren, blaast ze ze op. Maskerade is haar strategie. De echte Sherman blijft, heel curieus, zelf onzichtbaar.

Eigenlijk geldt dit ook voor de essays van Schutte. Ze mag het woordje `ik' dan regelmatig gebruiken, al te persoonlijk wordt ze zelden. Schutte schrijft in een afstandelijke stijl en laat het achterste van haar tong niet zien. Ergens in de bundel dacht ik te lezen dat Schutte verliefd was geweest op een foto van Anna Blaman: `Nu zou het wat ver gaan om op te biechten dat ik op mijn beurt verliefd ben op Anna Blaman op grond van haar portretten - die stammen uit een tijd dat ik nog niet was geboren - maar ze ontroeren me diep.' Maar Schutte maakt steeds schijnbewegingen, zet de deur op een kiertje en trekt hem weer vlug dicht. Na het lezen van het essay `Ironie en radicalisme', dat gaat over het feminisme van Renate Dorrestein, begreep ik waarom. Schutte houdt niet zo van praatgroepliteratuur. Voor haar geen De Schaamte voorbij van Meulenbelt. Liever leest ze de fantastische boeken van Dorrestein. Instemmend haalt Schutte haar woorden aan: ` `De werkelijkheid', daar is al voldoende van'.

Is Schutte een feminist? Schutte bekritiseert weliswaar anti-feministen, maar ook, veel vaker zelfs, feministen. Met name zij die vast blijven houden aan het geloof in een authentiek vrouwelijke stem of aan de haal gaan met begrippen als `patriarchaal', `symbolisch' of `culturele spiegel', volgens Schutte slechts `verbleekte etiketten'. In het essay `Zij is een man' gaat ze in op de affaire rondom de Franse schrijfster Danielle Sarrera, die door feministen werd omarmd omdat ze vorm zou geven aan een typisch vrouwelijk handschrift. Bovendien werd ze door hen beschouwd als een slachtoffer van het patriarchaat, omdat haar leven, net als dat van beroemde schrijfsters als Virginia Woolf en Sylvia Plath, eindigde met zelfmoord. Toen uitkwam dat Sarrera een verzinsel was van een man, reageerden feministen woedend en bedrogen. Schutte schrijft: `Maar als het omgekeerde gebeurt - als een dame in herenpak de letterkundige wereld slinks heeft weten te bedriegen - denk aan George Eliot, en `mannelijke' eer voor haar 'vrouwelijke' werk heeft gekregen klinkt er een triomfantelijk feministisch lachje.'

Schutte heeft een interessant onderwerp gekozen. Ze schrijft vooral over de dingen die ze mooi vindt en doet dat op een aanstekelijke manier. Door haar uitgebalanceerde stijl, laverend tussen zichtbaar en onzichtbaar, blijft ze boeien. Haar essays zijn leuk om te lezen: onderhoudend zonder oppervlakkig te worden, informatief zonder droog te worden, politiek maar niet drammerig, kritisch maar niet verongelijkt.

Perfect? Bijna. Schutte's sterkste kant is het stellen van vragen, niet het geven van antwoorden. Soms oppert ze belangwekkende vragen die vervolgens in het luchtledige blijven hangen of tussen haakjes worden gezet: Wat betekent het dat de meeste moderne kunst over seks gaat? Wat heeft je spiegelbeeld met je uiterlijke verschijning en je zelfbeeld te maken? Waarom worden er geografische metaforen gebruikt als het over sekse en seksualiteit gaat? De essays glippen, net als de schrijfster zelf, als een gladde bal door je handen. Ze missen een scherp randje dat prikkelt, kietelt, jeukt. De essays van Schutte nodigen meer uit tot instemmend geknik dan tot polemiek.

Hoewel culinaire metaforen in een recensie storend kunnen werken - lezen wordt vergeleken met het consumeren van een goed maal, de schrijver is de kok, de personages de ingrediënten - drong zich bij mij tijdens het lezen van Maskerade tegen wil en dank steeds het beeld van het pak koekjes op. De essays in Maskerade zijn een soort lekkere koekjes, gebakken door een uitstekende chef de cuisine, bij wie je graag gaat eten. De koekjes lijken echter wel allemaal op elkaar. Wie altijd dezelfde koekjes serveert, krijgt veel tevreden klanten, maar ook een enkele opstandige verwende klant, die van variatie of verrassingen houdt. Nu wil ik een nieuw recept! Ik wil koekjes met chocola of kokos, vette taarten of gebak! Desnoods vieze koekjes, waar je van gaat brullen! Maar eigenlijk is dit gemopper van een verslaafd koekiemonster. Want de essays in Maskerade smaken vooral naar meer.

Xandra Schutte: Maskerade. Essays. De Bezige Bij, 242 blz. ƒ39,50