Koloniën

Het was een leuke vakantie op de Antillen. Eerst St. Maarten, Anquila en St. Eustatius, toen nog een weekje naar Guadeloupe. Ik vloog met een klepperend vliegtuigje naar Guadeloupe en zeilde als fokkemaatje mee in wat de St. Eustatius Regatta bleek te heten.

Juist toen ik vanuit St. Maarten weer naar Nederland vertrok, kwamen prins Willem-Alexander en minister Peper aan. De prins zou de Koninkrijksspelen openen, een sportevenement dat kennelijk zo onbeduidend is dat ik de uitslagen in geen enkele reguliere krant heb kunnen terugvinden. De minister ging op rondreis langs de eilanden om de plaatselijke besturen duidelijk te maken dat het moederland in Europa niet zal bijspringen om de tekorten aan te vullen.

Het leek mij een typisch Nederlandse boodschap. In Philipsburg, het hoofdstadje van St. Maarten, zei de minister: ,,De Antillen zijn al heel lang bezig de zure appel vooruit te duwen, het wordt tijd dat ze in die appel bijten. Ik ben ervan overtuigd dat als politici de problemen bij de kop pakken, de algehele situatie binnen drie à vier jaar veel rooskleuriger zal zijn''. De zure appel die wordt voortgeduwd, problemen die bij de kop moeten worden gepakt, een algehele situatie die rooskleuriger zal zijn, lusteloze metaforen die alleen maar worden gebruikt door iemand die niets te bieden heeft.

Wat zouden de kroonprins en die minister zien als zij die paar dagen op St. Maarten logeren? Niet veel, vermoed ik. Ze rijden wat rond in hun limousine, brengen een bezoekje aan het Holland House en gaan 's avonds op de berg dineren bij de gouverneur. Toch is er wel het een en ander te zien op St. Maarten. Het wegdek bijvoorbeeld. Als de stelling waar is dat je de mate van corruptie in een land kunt aflezen aan de staat waarin de wegen verkeren, dan moet St. Maarten hoog scoren. Het oude asfalt zit vol gaten en een kleine jeep is dan ook de beste manier om je hier voort te bewegen.

Er is ook veel armoede. Overal zie je van die typisch derdewereldkrotten. Veel huisjes zijn niet afgebouwd, omdat het geld op was. Als de verkiezingen in aantocht zijn, komt er wel eens een politicus langs die in ruil voor een stem wat cement of een paar potten verf laat brengen, maar genoeg om er een degelijk huis van te maken is het niet. Wanneer over een paar maanden een nieuwe orkaan langs raast, gaat alles weer tegen de vlakte en wordt het kort daarop weer even provisorisch opgebouwd.

Je kunt bepaald niet volhouden dat Nederland op St. Maarten een grote koloniale droom aan het waarmaken is. Het moederland schijnt erg trots te zijn op een nieuw woonwijkje dat op dit ogenblik wordt aangelegd. Als ik er langsrijd, zie ik een project van rijtjeshuisjes dat als een Almere in de tropen armetierig uit het stofzand verrijst. De lokale bevolking is heel tevreden met de nieuwe behuizing, wordt mij verzekerd.

Vreemd genoeg maakt de Franse kant van St. Maarten een aanzienlijk geordender indruk. Niet alleen zijn de restaurants er beter, maar ook de wegen. Overal staan goed werkende telefoons en als je een doktersrecept nodig hebt of je moet een onderzoek in een ziekenhuis laten doen, dan ga je naar de Franse kant, omdat daar de wachtlijsten korter zijn.

Het verschil met het Franse Guadeloupe is nog pijnlijker, en dan heb ik het niet eens over de wegen die daar in perfecte staat verkeren. Het is een redelijk welvarend land. De bewoners stemmen er voor het Franse parlement. Ze spreken Frans en voelen zich Frans. De Tour de France is er net zo populair als in Frankrijk zelf.

Tijdens mijn verblijf op St. Maarten berichtte The Daily Herald over een klein relletje dat zich had afgespeeld in de rechtszaal van Philipsburg. Daar had Hans Hoeksma, een Nederlandse advocaat, met een verwijzing naar de hanengevechten gezegd: ,,Wij leven nu eenmaal op een eiland zonder cultuur. De enige cultuur die St. Maarten kent, is de cultuur van de hanenpoten.'' Onmiddellijk eisten de lokale politici excuses, omdat Hoeksma de eilandbewoners zou hebben beledigd. Toch kun je je nauwelijks aan de indruk onttrekken dat Hoeksma gelijk heeft. Terwijl de Franse Sintmaartenaar Frans spreekt, spreekt de Nederlandse Sintmaartenaar nauwelijks Nederlands. De Nederlandse Sintmaartenaar spreekt Engels. Terwijl de Franse Sintmaartenaar betaalt met Franse franken, beziet de Nederlandse Sintmaartenaar de Antilliaanse gulden met wantrouwen. De Nederlandse Sintmaartenaar betaalt liever met dollars. Na al die eeuwen is op het Nederlandse deel van St. Maarten noch de taal, noch het geld van het moederland ingeburgerd.

Binnenkort willen de politici van Sint Maarten, ongetwijfeld om hun eigen macht te vergroten, een referendum houden over de vraag of het eiland een aparte status moet krijgen. Dat is een slecht plan. Veel verstandiger zou het zijn om het Nederlandse deel van Sint Maarten gewoon aan Frankrijk over te dragen. De Fransen hebben veel meer mogelijkheden en ook veel meer ambitie om wat van hun Antillen te maken dan wij. Alle partijen zouden daarmee beter af zijn. De Nederlanders, omdat zij weer van een stukje koloniaal verleden verlost zijn, de Fransen omdat hun grondgebied is toegenomen en de Sintmaartenaren omdat zij meer dan voorheen de mogelijkheid krijgen om bij een echt land met een echt parlement te horen. Ik neem aan dat de Fransen willen dat wij voor die overdracht betalen, maar ik vind dat wij dat over moeten hebben voor een betere toekomst van de Antillen.

Kort na zijn bezoek aan Sint Maarten vertrok minister Peper naar St. Eustatius. Daar opende hij feestelijk het zojuist gerenoveerde fort van Oranjestad. In The Golden Rock, een boek van Ronald Hurst over de geschiedenis van St. Eustatius, lees ik dat het fort in de loop der eeuwen 22 keer in andere handen is overgegaan, maar dat Nederlandse soldaten ter verdediging nooit één schot hebben gelost. Toen minister Peper weer in zijn vliegtuig stapte, lagen de wegen van St. Eustatius er nog altijd even beroerd bij.