In de teil

VERBODEN TE ZINGEN EN TE FLUITEN stond er op een bord in de hal van het badhuis in de Vaandrigstraat in Crooswijk. Toen ik naar Rotterdam verhuisde, begin jaren zeventig, heb ik een tijdje in de Rubroekstraat gewoond. Schuin tegenover de waterstoker die gehuisvest was in het meest scheefgezakte pandje van de stad en die allang geen water meer stookte maar alleen nog maar zeep, petroleum en kolen verkocht. Zoals in veel huizen in de oude volksbuurten destijds was er geen douche, laat staan een ligbad. De grootschalige renovaties, saneringen en stadsvernieuwingsprojecten moesten nog komen en de bewoners die in wat betere omstandigheden wilden wonen, begonnen in die tijd te verhuizen naar Ommoord of de Alexanderpolder. Hun plaats werd ingenomen door immigranten uit Spanje, Turkije of Marokko.

Ik was net als vele anderen aangewezen op het badhuis. Je kon er kiezen uit een stortbad à raison van 75 cent of een ligbad van ƒ1,25 als ik me goed herinner. Op elke badkamerdeur was een houten klok gemonteerd waarop de badhuismeester de tijd vaststelde die je was toegemeten. Douches vijftien en ligbaden twintig minuten. Wanneer de tijd om was werd er op de deur geklopt. Alleen wanneer je een fooitje had gegeven mocht je wel eens wat langer.

Bij ons thuis waren begin jaren zestig een geiser en een douche aangelegd. Voor die tijd gingen we één keer in de week, op vrijdagavond, in de teil. De grote zinken teil die de rest van de week aan de muur in de schuur hing, werd in de keuken gezet.

Eerst werden de kleintjes gewassen. Daarna mochten de oudere kinderen zichzelf wassen, jongens en meisjes gescheiden. Het benodigde badwater werd in ketels en pannen op de kolenkachel warm gemaakt. Om de twee kinderen werd het water ververst. Het was altijd een gevecht om de eerste van de twee te zijn. Anders moest je je wassen in troebel water waarbij al een grijs randje vuil langs de wand van de teil kleefde.

Ook de handdoek moest je met je broer delen. In veel gezinnen werd het onderlijf afgedroogd met het hemd dat de hele week was gedragen. Dit spaarde niet alleen handdoeken maar benadrukte ook nog eens de onreinheid van het betreffende lichaamsdeel.

Ook toen de douche eenmaal was geïnstalleerd bleef nog een tijd lang de gewoonte bestaan om op vrijdagavond in bad te gaan. Pas langzaam drong het besef door dat je dat ook wel vaker dan één keer per week kon doen.

Inmiddels beschikt waarschijnlijk bijna ieder huishouden in Nederland over een douche, een bad of beide en hebben de badhuizen die niet zijn afgebroken een andere bestemming gekregen. Vaak zijn het cafés geworden of restaurants, een goed voorbeeld met een mooie naam is de `Badcuyp' bij de Albert-Cuypmarkt in de Pijp in Amsterdam.